Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leidingen 2 en 3 naar tapkraan 4 en proefkraan 5, welke beide kranen eveneens tegen de schadelijke gevolgen van breuk verzekerd zijn.

Hoofdreservoir 1 staat doormiddel van de eveneens beschermde leiding 6 in verbinding met het transportvat 8, waaruit, door opening van vulkraan 7, de benzine in het hoofdreservoir kan worden bijgevuld.

Uit den gashouder 9, die het zuurstofvrije gas onder druk bevat, voert een leiding naar reduceerafsluiter 10, die den veranderlijken gashouderdruk terugbrengt op den druk, waarbij gewerkt wordt, den werkdruk of bedrijfsdruk, en vandaar een andere leiding 11 naar het hoofdreservoir 1. De automatische

o

regeling van den druk in de gasleiding en in de daarmede in verbinding staande mantels der vloeistofleidingen, wordt verkregen door een, als veiligheidsklep werkenden, kwikmanometer.

Zoodra de tank gevuld is en de reduceerafsluiter 10 ingesteld, kan door openen van proefkraan 5 benzine worden afgetapt en dit zoolang totdat het vloeistof-niveau in de tank onder 3 is gedaald. Dan wordt er zuurstofvrij gas in plaats van vloeistof uitgeperst.

Terwijl nu door leiding 6 uit het transportvat 8, ook weer door den druk van het zuurstofvrije gas, het hoofdreservoir met benzine wordt bijgevuld, kan men als reserve nog benzine tappen uit kraan 4 omdat de afvoerleiding 2 wat dieper in de tank is ingelaten dan leiding 3. Door deze dispositie kan 5 ook als proefkraan dienst doen, terwijl men de benzine door 4 aftapt. Zoolang dan uit 5 nog geen gas blaast, kan het aftappen veilig worden voortgezet.

Alle leidingen, die in de tank uitkomen, zoowel de gas- als de vloeistofleidingen, zijn voorzien van zoogenaamde diffusie-afsluiters (a, b, c, d, e), waardoor, bij een voorkomende breuk in een der leidingen, verhinderd wordt, dat er lucht in het vat dringt.

De eveneens beveiligde aftap-kraan is zoo geconstrueerd, dat, zoodra ze door brand of breuk vernield is, de gasdruk op die plaats verloren gaat en de vloeistof naar de tank terugloopt. Daartoe is de plug doorboord als die van een gewone driewegskraan; in eenen stand kan de vloeistof naar buiten uit de leiding stroomen, in den anderen, die 90° met den eersten verschilt, is verbinding gemaakt tusschen de vloeistofbuis en de buitenbuis waarin zich het zuurstofvrije gas bevindt en wordt derhalve door den overdruk van dit laatste, de brandgevaarlijke vloeistof naar het reservoir teruggeperst. Ook deze kraan is van een veer voorzien, waardoor de plug automatisch in den eersten stand terugkeert, wanneer het handvat wordt losgelaten.

Bij een op gelijksoortige wijze beveiligd aftapventiel is 0111 het ventielhuis heen een mantel gemaakt, die door een opening met de buitenbuis van de vloeistofleiding in verbinding staat. Een sterke veer, aangebracht 0111 de ventielstang en opgesloten in een bus, wordt bij het neerdrukken van het handle gespannen en ontspant zich bij het loslaten, waardoor een automatische sluiting verkregen wordt.

Keeren wij na deze belangrijke technische détails tot Fig. 14 terug, om de aandacht te vestigen op een andere zeer gewichtige eigenschap van

Beschrijving van het systeem Martini & Hüneke.

Extra-beveiliging der appendages.

Sluiten