Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten van den voogd getreden. De schuldeischers, verbitterd door deze handelwijze, welke het grootste gedeelte van het nog aanwezige vermogen aan hun handen onttrekt, vervolgen Rembrandt met onverholen woede. Den 25en en 26en Juli 1656 wordt door de Desolate Boedelkamer de inventaris van Rembrandt's goederen opgemaakt, welke zal moeten dienen bij den verkoop ten behoeve zijner schuldeischers. Thans blijkt, hoe het waarschijnlijk voorzichtigheid geweest is, die Hendrickje heeft doen aarzelen, een huwelijk met Rembrandt aan gaan. Want nu zij nog vrij is, heeft zij het recht, een gedeelte van den inboedel, haar toebehoorende, voor zich te reserveeren en aan den publieken verkoop te onttrekken. Na beëediging, dat de betrokken goederen haar eigendom zijn, staan commissarissen der Desolate Boedelkamer haar toe, een kast, waarin geschenken van Rembrandt, onder anderen zilverwerk, gouden sieraden, linnengoed enz., tot zich te nemen.

Eerst in het einde van 1657 wordt last gegeven Rembrandt's goederen in publieke veiling te brengen. Het huis, dat Rembrandt naar zijn behoeften had laten inrichten, moest thans verlaten worden. Aan zekeren Pieter Wiebrandtz, een metselaar, werd het verkocht, maar daar deze in gebreke bleef, de vereischte koopsom te storten, opnieuw geveild en aan een schoenmaker, Lieven Simonsz, voor 11218 gulden toegewezen.

Rembrandt neemt zijn verblijf in de herberg „de Keizerskroon" in de Kalverstraat. Tot 1578 was het ruime gebouw het stedelijke weeshuis geweest en daarna als herberg ingericht. Hendrickje en Titus schijnen een ander onderkomen gevonden te hebben, zooals we uit de rekening van de vertering in „de Keizerskroon" kunnen opmaken. Het is hier de plaats, om de goede verstandhouding, die er tusschen Titus en Hendrickje steeds bestaan heeft, te herdenken. Wanneer in 1667 Titus zijn testament maakt, benoemt hij Hendrickje en haar dochtertje Cornelia tot zijn erfgenamen. Te goed had de jonge man reeds leeren inzien, dat zijn vader de waarde van het geld niet besefte, om hem als beheerder over zijn vermogen te kunnen aanstellen. Hij wil echter, dat bij zijn dood zijn vader niet in kommervolle omstandigheden achter blijft en bepaalt daarom, dat Rembrandt het vruchtgebruik van zijn nagelaten goederen zal hebben. Schulden van vroegeren datum zal Rembrandt niet van die inkomsten mogen voldoen en na zijn dood zullen Hendrickje en haar dochter ze voor hun levensonderhoud kunnen besteden. Wanneer Hendrickje in Aug. 1661 haar testament maakt, benoemt zij haar dochter Cornelia tot eenige erfgename of wanneer deze zonder lijfgeboorte mocht komen te overlijden, Titus van Rijn.

In hetzelfde huis, dat Rembrandt tot toevluchtsoord dient, heeft de

Sluiten