Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkoop van zijn goederen plaats. Bij de veiling wordt echter zoo belachelijk weinig geboden voor de kunstschatten en talrijke kostbaarheden, dat de ambtenaren, met den verkoop belast, besluiten een nieuwe verkooping te doen houden. Twee der voornaamste schuldeischers, Witsen en Van Hertsbeek, hebben zich ondertusschen reeds uit den boedel laten voldoen en voor hunne gezamenlijke vorderingen 8380 gulden doen uitbetalen.

Ook andere schuldeischers weten hunne preferente vorderingen voldaan te krijgen. Tegen deze uitbetalingen wordt krachtig door Crayers, die Jan Verbout als voogd van Titus heeft vervangen, geprotesteerd. Bij Saskia's dood heeft Rembrandt 40750 gulden opgegeven als het bedrag zijner bezittingen. Wettig komt Titus de helft daarvan toe en Crayers eischt dit bedrag voor zijn pupil op. De schuldeischers meenen, dat Rembrandt het bedrag van zijn vermogen veel te hoog heeft geschat en het komt tot een proces, waarbij verschillende getuigen over de inkomsten van Rembrandt en den staat van zijn vermogen bij Saskia s dood verklaringen moeten afleggen. De schuldeischers worden in het ongelijk gesteld en met name Hertsbeek veroordeeld, de ontvangen gelden aan den voogd van Titus terug te geven. Maar zooals het gewoonlijk bij processen gaat, gebeurt het ook hier; wanneer alle gerechtskosten voldaan zijn en Titus eindelijk zijn erfdeel uitgekeerd ziet, is er voor zijn aandeel slechts 6952 gulden overgebleven.

Men begrijpt gemakkelijk, dat onder zoovele beslommeringen, als zulke langdurige processen met zich medebrengen, het werken Rembrandt moeilijk valt. In een vreemd huis, dat natuurlijk niet naar zijn eischen van belichting is ingericht, verstoken van zijn collectie, die hem modellen verschafte, door drukkende zorgen geplaagd, in zulke bekrompen omstandigheden verkeerend, dat het hem zelfs niet mogelijk is, zijn rekening en de verblijfkosten in „de Keizerskroon" te voldoen, wacht Rembrandt in moedeloosheid en verslagenheid de regeling van zijn zaken af.

Vlot komen de portretbestellingen niet meer binnen en het geïmproviseerde atelier in de „Keizerskroon" werkt er niet toe mede, Rembrandt's scheppingdrang aan te wakkeren. Weldra begrijpen Titus en Hendrickje, dat zij voor Rembrandt moeten handelen, wil de meester niet op zijn ouden dag in nood en ellende geraken. Titus, die wel overtuigd zal geweest zijn, dat zijn talent niet toereikend was, om als schilder een bestaan te kunnen vinden, legt zich op den kunsthandel toe, met het plan, de werken van zijn vader zooveel mogelijk te plaatsen. Hendrickje associeert zich met hem. In 1658 wordt voor den notaris Listingh een acte gepasseerd, waarbij de vennooten den reeds twee jaar

k

Sluiten