Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 J o o d s c h e wetschrijver. T a 11 g e r.

Hoog 17, breed 24,5 cent.

»Ik ging verder naar boven en stond aan het einde der trap, waar een gordijn was, dat zich heen en weer bewoog en waardoor ik onwillekeurig door de opening in het midden zag en gezien kon worden. Ik stond daar en durfde niet verder, niet wetende, wat mij misschien te beurt zou vallen, als ik binnentrad, maar toen ik daar besluiteloos stond te denken, hoorde ik tot mijne groote ontroering roepen: »Ma mewakschego ?" in het Hebreeuwsch, dat ik kende; het was eene zware mannenstem, die mij vroeg: »wat zoekt gij hier?" Toen trad ik naar binnen en zeide op mijne beurt: »Salom adonai salom allichem onoughi jehudi me eerets Hollande."

»Eerets Hollande," riep hij. »Waar is dat, wat beteekent dat ?"

Zoo goed en zoo kwaad het ging, want sterk in het Hebreeuwsch was ik volstrekt niet, trachtte ik den man . . . Maar ik moet u vertellen, wat ik zag en wat die man was. Ik was eene donkere ruimte binnengetreden, verlicht door een klein langwerpig horizontaal liggend raampje, dat wil zeggen, een opengehakt vierkant, dat des nachts of bij ontijden door een luik gesloten kon worden. Scherp sneed het licht door het vierkant en teekende zich af op den steenen vloer. Dicht bij deze opening geschoven, stond eene lange schraag op schuine pooten en daarover lag een groot wit perkament, dat bijna geheel de tafel bedekte en met eene rol naar beneden hing. Daar zat achter de tafel de joodsche wetschrijver met zijne armen voorover op het perkament geleund en draaide zijn vorstelijk hoofd naar mij toe; dat hoofd scheen veel te groot voor het lichaam, dat onder de lage tafel in de schaduw niet wel te onderkennen was. Het was een prachtig hoofd, fijn en doorschijnend bleek als albast, rimpels, groote en kleine, liepen langs de kleine oogen en om den grooten, gekromden haviksneus. Een zwart kapje bedekte den witten schedel en een lange witgele baard la<r in groote vlokken over het beschreven perkament. Hij zat op een soort van leuningstoel zonder rug en twee krukken lagen naast hem schuin van den stoel op den grond. Hoe gaarne had ik mijn schetsboek voor den dag gehaald, de nobele kop met dien baard, die met dat perkament en het licht van het raam één was, omsloten door al het donkere van dit sombere vertrek, maar voor den starenden blik van den wetschrijver durfde ik mijn voornemen niet ten uitvoer te brengen."

Sluiten