Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet worden verhoogd met 0.4 % van het loon voor administratiekosten (art. 196) en stijgt dus tot 54 + 6 (0.4 % van / 15 = 6 ets.) = 60 ets.

Wat de patroon hiervan betaalt, doet voor de berekening niets ter zake.

Voor die 60 ets. krijgt hij eventueel geneeskundige hulp enz., begrafenisgeld voor zichzelf / 75.—, voor z\jn vrouw ƒ 50.— en ziekengeld ƒ 10.50 per week.

Wat zou hij volgens de nu geldende tarieven in een ander fonds moeten betalen? a. Voor geneesk. hulp enz. 24 h 26 ets.; b. voor begrafenisgeld, als beiden op 20-jarigen leeftijd zijn gaan contribueeren, te zamen 6 ets. (tarief Wylacker); c. voor ziekengeld, als hij deze verzekering op 20-jarigen leeftijd heeft aangevangen 31 ets. (volgens het tarief der Zuid-Hollandsche. Verzekering-Mij). In het geheel dus 24 è- 26 + 6 + 31 = 61 è, 63 ets. en bij de districtsziekenkas 60 ets. Het ontloopt elkaar niet veel. Maar houdt men in het oog dat de ziekenfondscontributie hooger zal moeten zijn dan tegenwoordig door de verplichte verstrekking van brillen, pessaria, breukbanden, buikbanden enz., en bovendien dat de erkende ziekenkas grooter risico zal dragen, als er kinderen komen in dit gezin, omdat voor hen geen afzonderlijke contributie wordt betaald, maar c. q. wel begrafenisgeld verschuldigd is, en ten laatste, dat deze risico nog veel grooter wordt, als vader of moeder komen inwonen, waardoor eveneens de contributie niet vermeerdert — dan is het duidelijk, dat in dit gunstig geval de erkende ziekenkas ter nauwernood zal kunnen concurreeren met de districtsziekenkas.

Neemt men nu eens een ongunstig geval, bijv. een werkman van ƒ 12.— per week, gehuwd maar zonder kinderen. Zyn beroep zij niet gevaarlijk. Hij valt dan in de7eloonen le gevarenklasse en betaalt bij de districtsziekenkas een contributie van 33 ets. Bij eene erkende ziekenkas zou hij volgens de tegenwoordige tarieven moeten contribueeren 52 è, 54 ets. En dit verschil wordt nog grooter als het gezin vermeerderd wordt door kinderen of bloeden aanverwanten.

Uit het bovenstaande blijkt duidelijk, dat de erkende ziekenkas, wat betreft de zoo begeerlijke rubriek der verzekeringsplichtigen slechts met groote moeite zich zullen kunnen handhaven naast de districtsziekenkas. Aan verhooging der contributie valt niet te denken, want deze maatregel verschaft den verzekeringplichtige een der weinige gelegenheden naar de districtsziekenkas over te loopen. (Art. 42.)

Er zit niet anders op dan dat de erkende ziekenkassen öf deze groep verzekeringsplichtigen laten varen, öf door kunst en vliegwerk zullen trachten er toch nog een zoet winstje uit te slaan. Het komt de Afdeeling niet twijfelachtig voor, dat zij dit laatste zullen beproeven. Op welke wijze ? In de eerste plaats profiteeren zij van het feit, dat zij voor de verzekeringsplichtigen geen boden hebben te betalen. En in de tweede plaats zullen zij, waar de vermeerdering van inkomsten, daar contributieverhooging niet mogelijk is en aan de uit te keeren schadeloosstellingen (geneesk. hulp enz., ziekengeld, kraam- en begrafenisgelden enz.) niet kan worden getornd, trachten hun uitgaven te beperken door pressie uit te oefenen op de geneesheeren, die de ziekenbriefjes hebben af te geven, en door vermindering van het honorarium der deelnemers. In dit verband schuilt er gevaar in de bepaling, dat de verzekeringsplichtigen slechts in enkele met name genoemde gevallen het recht hebben van de eene erkende kas naar eene andere of naar de districtsziekenkas zich te laten overschrijven.

B. De tweede groep van leden der erkende ziekenkassen wordt gevormd door de vrijwillig verzekerden. Deze groep omvat de vaste werklieden, die uitgesloten zijn van den verzekeringsplicht, (Art. 5), als: militairen, zeelui, gemeentebeambten enz., en de vrouwelijke dienstboden. Laatstgenoemde personen waren tot voldoening van het Hoofdbestuur in het Vóór-Ontwerp onder de verzekeringsplichtigen opgenomen, maar zijn in het Ontwerp 1905 met een magere toelichting van den Minister weer uitgesloten. Met uitzondering der dienstboden valt dus hieronder een gering aantal lieden, die voor de erkende ziekenkassen welkome leden zyn. Maar voorts omvat deze groep de losse werklieden en hen, die eigenlijk in een ziekenfonds niet thuis behooren. Bedenkt men nu, dat de losse werklieden — vooral 's winters — het groote contingent der wanbetalers leveren, dan ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat de ziekenfondsen alle pogingen in het werk zulen stellen om tot zich te trekken de personen, die in ons spraakgebruik worden gerekend tot de kleine particulieren.

Sluiten