Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art- 141, 2e alinea.

De Afdeeling de Vecht en O. vindt het wenschelyk te lezen: „De uitkeering geschiedt over den tyd, gedurende welken de verzekerde geheel of gedeeltelik ongeschikt tot werken is, maar over ten hoogste 180 dagen, te rekenen van den derden dag na den aanvang der ongeschiktheid enz

Waar in artikel 141 al. 1 is voorgesteld geen ziekengeld uit te keeren, wanneer de ongeschiktheid tot werken slechts twee dagen duurde, zou de bepaling, in al. 2 door den Minister voorgesteld, tengevolge hebben, dat een zieke, die twee dagen ongesteld is, „er nog een derden dag by loopt". In dit geval toch krijgt hy drie dagen ziekengeld, en in geval de ziekte twee dagen duurde — niets.

Art. 140 C 141.

De Afdeeling Dordrecht en O. is van oordeel, dat de controle noodig voor de uitkeering van het ziekengeld zooveel mogelyk niet behoort opgedragen te worden aan den huisarts, maar wèl aan onpartijdige deskundigen.

De Afdeeling Friesland wenscht een nadere regeling van het afgeven der ziekenbriefjes.

De Afdeeling Botterdam, en O» houdt, met het oog op het afgeven van deskundige verklaringen de volgende beschouwingen.

Herhaaldelijk wordt in het Wetsontwerp melding gemaakt van een deskundige (o.a. in de volgende artikelen: 5h, 30&, 32, 33, 34, 35, 36, 37, 134, 155), zonder dat daarna nader omschreven is wie als deskundige zal moeten optreden. Ook blykt uit verschillende bepalingen (art. 140 B3, C. art. 141, 148, 149, 151, 1596), dat verklaringen van deskundigen voor de uitvoering der wet noodig zullen zyn. Het lag dus op haar weg na te gaan of dergelijke verklaringen zouden moeten worden afgegeven door den geneesheer, die den persoon, van wien inlichtingen gewenscht worden, als patiënt of als lid kent, of door een anderen medicus.

In 1864 werd op de Algemeene Vergadering v. d. Ned. My. t. b. d. Geneesk. het besluit genomen, dat het niefc wenschelyk is „dat de huisdokter de vragen beantwoordt, die hem door Levensverzekeringsmaatschappijen en Begrafenisfondsen aangaande den toestand zyner patiënten plegen te worden voorgelegd".

In 1898 verscheen het Rapport der Commissie, welke onderzoek deed naar de regelen, die de behandelende arts te volgen heeft bij het afgeven van attesten omtrent ziekte of overlijden zyner patiënten.

Conclusie 2 van het rapport luidde:

Namens de Maatschappy wordt aan alle Verzekerings-Maatschappijen bericht, dat in het vervolg door de leden der Maatschappy geen gezondheidsverklaringen meer zullen worden afgegeven ten behoeve van candidaat-verzekerden;

en conclusie 5 bevatte het volgende:

De Algemeene Vergadering geve als haar wensch te kennen, dat iedere afdeeling der Maatschappy binnen den kring harer werkzaamheid aan alle lichamen, die in staat kunnen geacht worden, hun zieken zelf te doen controleeren, mededeele, dat de geneeskundigen voortaan geen „ziekenbriefje" te hunnen behoeve zullen afgeven.

Waar in dit Wetsontwerp niet alleen voor een uitkeering by overlyden, maar ook voor een uitkeering by ziekte wordt zorg gedragen, en waar in het buitenland, juist tengevolge van dat' ziekengeld, groote moeilijkheden gerezen zyn met de geneeskundigen, meent de Afdeeling in het bijzonder hieraan haar aandacht te moeten wyden. Zy wenscht te overwegen in hoeverre het afgeven van ziekenbriefjes door den behandelenden geneeskundige is in het belang van den verzekerde, van de ziekenkas en van den geneeskundige zelf.

Het is in het welbegrepen belang van den verzekerde, dat een onpartijdig medicus, die door h'et geregeld controleeren van verzekerden ervaring daarvan heeft gekregen, beoordeelt tot hoe lang, en zoo noodig voor welk gedeelte, uitkeering moet worden verstrekt.

Van den behandelenden medicus kan men niet licht een te strenge maar wel een te zachte beoordeeling verwachten, waardoor de patiënt ten slotte in een abnormaal psychischen toestand kan komen, die zyn energie verlamt. Voor menigen verzekerde bestaat maar één geneesmiddel: het na nauwkeurig onderzoek en weldoordacht uitgesproken: „Ga werken". En juist

Sluiten