Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Resumeerende, kunnen wij zeggen, dat de Geestmerambacht omvat:

iste: het late-roode-kool-gebied, het grootste in omvang, en zich uitstrekkende over het Noorden en het centrum. Oudkarspel leert u het type kennen;

2de: een kleiner gebied, in hoofdzaak omvattend Broek op Langendijk, en zich voortzettend over de Scharwouden, ten Westen van den Winterweg; dit is het Langendijker of vroege-bloemkool-gebied;

3de: St. Pancras en Koedijk, met een voortzetting langs het NoordHollandsch Kanaal tot Schoorldam, het vroege-roode-kool-gebied.

Grootebroek is het middelpunt voor het koolbouwend West-Friesland. Voornamelijk de cultuur van bloemkool, en in de laatste jaren ook die van sluit- en reuzenbloemkool, heeft er een belangrijke vlucht genomen. De vroegste soorten zaait men in Februari in koude bakken, en in het begin van Maart op den vollen grond; de latere worden, als aan den Langendijk, voor nateelt gebruikt op akkers, die reeds een oogst hebben opgeleverd. Vooral tusschen en na aardappels plant men deze soorten.

In de volgende polders is de koolteelt van veel recenteren datum. In den Heer Hugowaard wordt het hoofdproduct gevormd door roode en gele kool, die, als in St. Pancras, voor den winter in Augustus of September, en na den winter in Februari wordt gezaaid; witte kool en Deensche witte is hier bijproduct. Sommige bouwers telen jaar in, jaar uit, kool op dezelfde akkers. Anderen wisselen om de 3 of 4 j&ar met granen, aardappelen, suiker- en voederbieten.

In den Wieringerwaard en in den Anna Paulownapolder is de cultuur ongeveer gelijk aan die te Oudkarspel. Om de 3 of 4 jaar wordt de kool door haver of tarwe afgewisseld.

Hoeveel hectaren in elk der genoemde gemeenten voor een koolsoort als hoofd- en nagewas worden gebruikt, vindt men in de Landbouwverslagen. (4)

Bijzonderheden over de bemesting met „slik" worden in het derde hoofdstuk van „het vallen en den kanker" gegeven.

Sluiten