Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nen Theile sich ihren unteren Grenze nahert, und hiermit die Bedingungen saprophytischer Vegetation eintreten". (6)

Voor ons doel noemenswaardige, constante verschillen in anatomischen bouw tusschen de verschillende soorten van kool zijn er niet, en ook voor bloemkool geldt de volgende beschrijving, die alleen betrekking heeft op de ontwikkelingsstadiën, die aan de vorming van bloemstengels voorafgaan.

De kiemplant, die pas begonnen is haar eerste loofbladeren te ontvouwen, neem ik als uitgangspunt (fig. i, PI. I. ; deze plant, behoorend tot een dicht zaaisel, heeft een langer hypocotyl dan in 't algemeen gewenscht is.) Zij is het type van een dicotyle kiemplant met diarchen wortel. Het vaatbundelverloop is beschreven door Lund en Kjaerskou (7). De eerste epicotyle bladeren zijn tegenoverstaand; eerst later wordt de bladstand schroefvormig.

Op dwarsdoorsneden door het epicotyl vinden wij zes vaatbundels, in twee groepen, die beide komen uit een epicotyl blad. Deze vereenigen zich, op de wijze, zooals dat algemeen bij de dicotylen het geval is, met de vier bundels van het hypocotyle lid. Laatstgenoemde vier bundels smelten twee aan twee samen, zoodat in het ondereind van het hypocotyle lid twee vaatbundels voorkomen, correspondeerend met de twee zaadlobben. Op gelijke hoogte heeft de afscheiding en draaiing van het xyleem en phloeem van de collaterale bundels plaats, gevolgd door samensmelting van het xyleem, waarbij de diarche wortelstructuur ontstaat. Deze kan men het best waarnemen, als men eene doorsnede maakt door den wortelhals, op welke plaats bodemdeeltjes aan de oppervlakte vasthechten en de aanwezigheid van wortelharen verraden. Verwijdert men die deeltjes, wat niet zonder beschadiging der wortelharen kan plaats hebben, dan ziet men den stengel zich plotseling vernauwen; de epidermis van het hypocotyl eindigt hier en de pseudo-epidermis van den wortel begint. Hier is de groene kleur van het hypocotyl reeds verdwenen, en ook het roode celsap van de buitenste subepidermale lagen der roode koolplantjes, terwijl in het binnendeel van de primaire schors intercellulairen optreden. Het xyleem is op doorsneden (fig. 2) in spoelvorm in het centrum gelegen en het merg is verdwenen (later bii dikke stronken kan men altijd nog de plaats van den wortelhals aan het eindigen van het merg terugvinden). Aan weerszijden, als twee sikkelvormige figuren, zien wij een weefsel, dat de parenchymlaag en het cambium levert, en daar buiten de zeefvatstrengen. De pericykelcellen ronden het geheel af en de endodermis omgeeft het. De endodermis, die zich in het epicotyl als zetmeelscheede kenbaar maakt, verliest in het hypocotyl dit karakter. De cellen er van zijn baksteenvormig met de grootste afmeting in verticale, de

Sluiten