Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zetten zich niet tot in den wortel voort. Later worden in het secundair phloeem ook vezels gevormd. Deze secundaire vezels zijn minder lang en toegespitst dan de primaire. Zij zijn maar weinig langer dan de cambiumcellen, waaruit zij zijn ontstaan, maar breeder en meer gestippeld dan de primaire.

Het overige gedeelte van de primaire schors bestaat, voor zoover het boven den wortelhals ligt, uit wijde, tangentiaal gestrekte cellen, met intercellulairen er tusschen, en zich af en toe deelend door radicale wanden om de verdikking bij te houden. Deze cellen zijn, evenals die van het merg, fraai gestippeld (fig. 6, PI. II). De richting der grootste afmeting dezer stippels ligt radiaal of transversaal. Bij den diktegroei worden de primaire sklerenchymbundels uiteen gerukt, en van het nieuw daartusschen gevormd schorsparenchym verdikken zich vele cellen tot steencellen. Ook buiten den vezelring vormen zich sclereïden. Op eenigen afstand onder den epidermis zijn de intercellulairen verdwenen. Het hypoderm en de epidermis zijn collenchymatisch.

In den wortel, waarvan een doorsnede in fig. 7, PI. II is geteekend, is uit de weefselstreng tusschen xyleem en phloëem voortgekomen een parenchym, dat de centrale vaten omsluit, en een cambium, dat het protophloëem op zij schuift door vorming van op doorsnede wigvormige, secundaire bundels.

Voor de twee protoxyleemstralen worden wijde, interfasciculaire mergstralen aangelegd, die parenchymatisch en onverhout blijven. De secundaire mergstralen, die in den eersten tijd, als de structuur van den wortel nog niet door latere verschuivingen onherkenbaar is geworden, zijn aangelegd, verschillen niet van die van het hout.

Primair sclerenchym was, zooals wij zagen, bij het begin van den diktegroei, alleen in den stengel aanwezig. Secundair vormt zich sclerenchym in den wortel, zoowel als in den stengel. De nieuw ontstane vezels zijn kort, slechts door de toegespitste einden wat langer dan de cambiumcellen, waaruit zij voortkomen. Wat evenwel algemeen en reeds tijdens het begin van den diktegroei verschijnt, dat zijn de sklereïden, die tusschen de nieuw gevormde schorscellen optreden, zooals wij dat ook in den stengel zagen. Hier dient nog opgemerkt, dat door het cambium naar buiten regelmatig myrosinecellen worden geproduceerd, zoodat ten slotte in de secundaire schors deze cellen het talrijkst zijn. Nadere beschrijving* en afbeelding van de elementen der secundaire weefsels vindt men bij Lund en Kjaerskou (7), BoRzi (18) e. a.; ik behoef hier niet Verder op in te gaan. Tegelijk met de cambiale diktegroei zet ook peridermvorming in, en wel dicht onder den epidermis.

Sluiten