Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Aetiologie.

Door Goethe te Geisenheim a. Rh. wordt in zijn bericht over 1900/01 opgegeven, dat niet nader bepaalde galmuglarven het hart van jonge koolplanten onder vorming van een opzwelling verwoestten (24). In het jaar 1901 vond Ritzema Bos (25) in het hart van jonge koolplanten onder Schagen, witte larven, die bleken galmuglarven te zijn. Zij werden ter determinatie gestuurd aan de Meyere (26), die daaruit de imagines opkweekte.

In 1905 bezocht ik vele malen de cultures aan den Langendijk en te Grootebroek om de oorzaak van de „draaihartigheid" op te sporen. Het bleek mij, dat de planten, die aan deze ziekte leden, zeer dikwijls bewoond worden door de in het vorig hoofdstuk reeds vermelde larven, die zich bij nader onderzoek als galmuglarven deden kennen. Een aantal hiervan werd ter determinatie aan de Meyere ter hand gesteld. Deze constateerde, dat zij geheel overeenkwamen met de door Ritzema Bos in 1901 gevonden larven, en dat zij, evenals deze, behoorden tot de nieuwe, door hem in 1905 voor t eerst beschreven soort Contarima, tovquens.

In 1903 werd door Ritzema Bos van de draaihartigheid, die inmiddels van groot belang was geworden, voor 't eerst eene korte symptomatiek gegeven onder de ziekten, waarvan tot dusver de oorzaak nog onbekend was gebleven. Het gelukte mij in 1905 proefondervindelijk1) vast te stellen, dat Contanma torquens de Meyere de oorzaak is van de draaihartigheid. Dit geschiedde, op de volgende wijze. Van een dertigtal te St. Pancras verzamelde larven werden te Amsterdam de kleinste, of jongste, uitgezocht en gebracht in de oksels van de zeer jonge blaadjes van normale koolplanten. Binnen eenige dagen vertoonden zich in den oksel de eerste ver-

) Dit was te meer noodig, daar Ritzema Bos in 1904 alleen de rupsjes van Plutella Cructferarum vond in draaiharten, en vermoedde, dat zij de dader., zouden zijn. In I9o5 was Ptoetla

deren^ 34) ^ ^ gelegenheid te zien' dat dit insect slechts gaatjes vreet in de bla-

3

Sluiten