Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnselen van draaihartigheid. Bij tien planten is deze proef genomen, in September 1905. Negen er van werden draaiharten, terwijl de niet opzettelijk geïnfecteerde contróleplanten zich normaal ontwikkelden. De twintig grootste of oudste, van de verzamelde larven, werden gebruikt voor het opkweeken van de imagines. Hiervoor werd een gesteriliseerd glazen vat genomen, dat ter hoogte van ongeveer 1 dM. met gesteriliseerde, vochtige aarde was gevuld, waarop de larven werden gelegd. Na verloop van tien dagen was een aantal galmugjes uitgekomen, waarvan er slechts drie in leven waren. Meer heb ik er in 1905 niet kunnen kweeken, ook niet van later verzamelde larven. Deze drie galmugjes werden gebracht in een kooi van fijn katoenen gaas, die, sluitend tegen den grond, vier normale jonge koolplanten omhulde. Acht dagen later begonnen zich bij twee van deze planten de beginselen der ziekte te vertoonen, en bij onderzoek bleken de larven in de oksels der zeer jonge blaadjes aanwezig te zijn.

In de harten van planten, die de allereerste beginselen van de ziekte vertoonen, vindt men steeds de larven, meestal ten getale van zes tot twaalf, somtijds ook tot twintig. Zij zijn ongeveer van dezelfde grootte, en dus kort na elkaar uit het ei gekropen. Ondanks veel tijd daaraan besteed, is het mij nog niet mogen gelukken de eieren op te sporen. Naar alle waarschijnlijkheid worden die dikwijls gelegd in het rolletje, dat door opwaartsche krulling van de zijranden der jonge hartblaadjes ontstaat. Althans men kan van af de bovenzijde van deze blaadjes de sporen der larven vervolgen tot aan de bladoksels, waar zij zich steeds bij de onderzochte planten bevonden. Die sporen zijn glanzende strepen; het waslaagje is daar weggeveegd.

Ovo-vivipare galmuggen zijn niet bekend; bij lang genoeg voortgezet onderzoek hoop ik dus de eieren nog- te vinden.

Sluiten