Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaagd. Dit bleek dezelfde ziekte te zijn. Voorts werden draaiharten waargenomen bij Apeldoorn, bij Arnhem, en op de terreinen van het Instituut voor Phytopathologie te Wageningen. Hier traden zij van af den i^en junj op. De Heer C. de Geus berichtte mij uit Oberhausen bij Wesel, dat daar in 1906 haast elk stuk koolveld draaihartige planten droeg. Goethe (l.c.) te Geisenheim had trouwens al in 1900 ziekteverschijnselen in de kool opgemerkt, die tot de draaihartigheid moeten worden gerekend, en Dr. Reh uit Hamburg schreef mij, dat hij in den zomer van 1905 een dergelijk geval, als ik hem als draaihart beschreef, had gevonden.

Het schijnt dat de ziekte in het jaar 1897 voor het eerst belangrijke offers eischte, althans in Koedijk herinneren zich vele koolbouwers, dat zij het eerst in dat jaar er schade door leden. In 1900 liet zij zich in St. Pancras voor 't eerst vrij hevig gevoelen, maar nog niet zoo hevig als in 1903, 1905 en vooral 1906. In Grootebroek herinnert men zich de kwaal niet van vroegere jaren dan 1897. In 1898 en latere jaren werd daar geregeld uitbreiding geconstateerd. Practici deelden mij mede, dat men ook in' Rhenen voor t eerst in t jaar 1897 verliezen door „klemhartigheid" leed.

In ons land werden de draaiharten al lang opgemerkt door de landen tuinbouwers, voor zij zich zoo uitbreidden, dat zij aan de cultuur schadelijk werden. Er bestaan nu twee mogelijkheden: óf dat kort voor het jaar i897 de, aanvankelijk op wildgroeiende planten voorkomende Contarinias zich aan kool hebben aangepast, en daar betere voorwaarden voor hun ontwikkeling hebben gevonden, óf dat het eerst in 1897 de ontwikkelingsvoorwaarden voor de toen reeds langen tijd op kool levende Contarinia-soort zoo

gunstig waren, dat zij zich in voldoende mate kon uitbreiden om schadelijk te worden.

Wij kunnen hier slechts gissen. Zoo zich al galmugjes van andere Crucifeeren aan kool hebben aangepast, is, volgens de Meyere (l.c.), onze kennis omtrent de Cecidomyiden dier Crucifeeren nog te gering, om in dezen licht te verschaffen. In 1905 was de weersgesteldheid ongetwijfeld zeer gunstig voor het insect, en heeft de ziekte zich dan ook sterk uitgebreid. De zomer van dat jaar was vrij droog, en de koolstreken, vooral bij Grootebroek, hebben zeer weinig regen gehad. Er heerschte langen tijd Oostenwind in het voorjaar. Dit zijn omstandigheden, die de ontwikkeling van insecten in 't algemeen in de hand werken. Ook het motje Plutella Cruciferarum heeft dientengevolge in 1905 zooveel schade gedaan.

Alle koolsoorten worden door het galmugje aangetast; in Warmenhuizen werd zelfs de ziekte in koolrapen opgemerkt. Maar terwijl de soorten

4