Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de houtvaten, en kleurt de weefsels, waarin het zich bevindt, donkerbruin.

Deze zwam komt op de zaaibedden aan den Langendijk reeds in de genoemde zieke plekken aan den stengelvoet voor, en wordt, daar men de aangetaste planten nog niet duidelijk kan onderscheiden, bij het uitplanten naar de akkers overgebracht.

Op de velden schijnen opnieuw planten te worden aangetast. De zwam wordt niet met het zaad overgebracht, zooals bleek bij kiemproeven met zaad, dat door de boeren van die overbrenging verdacht werd.

De „kanker" is een ziekte, die zich bij de, in schuren bewaarde kool voordoet, en die begint als zwarte vlekjes in het houtgedeelte van den stronk. Deze vlekjes breiden zich uit over stronk en bladeren op onregelmatige wijze, en wel het snelst in warme, vochtige omgeving. De aangetaste bladeren laten van den stronk los. In de zieke deelen woekert een zwam, die aan de oppervlakte pykniden vormt, en die zich, naar haar morphologische eigenschappen doet kennen als Phoma oleracea Sacc. In de aangetaste kooien komt geen andere organisme voor.

De zwam, die uit de vallers is geïsoleerd door middel van reinculturen, kan bij infectie op een koolstronk kanker teweegbrengen. Roode kool is het meest aan vallen en kanker onderhevig. Savoye en Deensche witte zijn het in mindere mate.

Verder herinnert Ritzema Bos aan een ziekte in de voederkool in de Vendée, waar Delacroix (36) melding van maakt, en die veel overeenkomst heeft met de kankerziekte aan den Langendijk. Prillieux beschrijft deze ziekte eveneens in zijn handboek (37) onder den naam „Pourriture des pieds de chou". Prillieux en Delacroix hebben in de aangetaste deelen een zwam gevonden, door hen als Phoma Brassicae Thümen gedetermineerd ; zij is echter volgens Allescher (38) identiek met Phoma oleracea Sacc.

Sluiten