Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantasting door Anthomyia aan de eene, en Plasmodiophora aan de andere zijde, duidelijk. In het eerste geval (Anthomyia) is de lijdensperiode maar kort. Bloem- en sluitkool laten eenige malen de bladeren vallen en herstellen zich daarna, of, wanneer er zeer veel maden aan vreten, sterven zij spoedig af. — Maar in het tweede geval (Plasmodiophora) kunnen de planten lang blijven kwijnen, zoodat de onervaren waarnemer ze zelfs niet als ziek herkent. Zij geven dan dikwijls een kool, die wel niet van eerste kwaliteit, maar toch zeer goed leverbaar is, en die zich op de bewaarplaats goed houdt. In extreme gevallen verwelken de bladeren herhaaldelijk en sterft de plant ten slotte met slaphangende bladeren af. — Precies zoo is het met de „vallers". Af en toe laten zij, op 't heetst van den dag, de bladeren slap hangen, maar 's avonds komen zij weer bij. Men is dus genoodzaakt de planten uit te trekken om er meer van te weten te komen. Nu ziet men direct wat knol voet is, verwarring daarmee is buitengesloten. Maar wat betreft het eerste stadium van de vallersziekte, blijkt, dat bijna altijd dit stadium volkomen identiek is met beschadiging door Anthomyia. Dit geldt niet alleen voor beschouwing met het bloote oog, maar ook voor het nauwkeurigst mikroskopisch onderzoek. In 1905 heb ik meerdere honderden planten onderzocht, en in ruim 90 gevallen van de 100 werd het z.g. vallen ingeleid door beschadiging van het wortelsysteem door Anthomyia brassicae. In de resteerende bijna 10 percent, zagen de planten er een klein beetje flets uit, maar waren in hun geheel en oppervlakkig beschouwd, ongeschonden ; bij overlangs doorsnijden bleek in deze gevallen, dat larven van een Barissoort in het stammetje boorden. Deze BarisXarven kunnen natuurlijk ook voorkomen in planten, door Anthomyia aangetast.

De planten, door de koolvlieg beschadigd, gaan óf dood, öf, zoo het aantal larven klein is, genezen zij zich door vorming van adventiefwortels, wanneer de larven de plant verlaten hebben om in den grond te verpoppen. Ook de door boorsnuittorlarven aangetaste planten genezen dikwijls, wanneer de snuittorren in den zomer de planten verlaten hebben.

In dit inleidingsstadium, waarin men nog niet van „vallen" spreekt, zijn kankerplekken niet in de plant aanwezig. Dit stadium wordt gevonden zoowel op de banen als op de velden. Eerst in het tweede stadium treden kankerachtige plekken op, die uitgaan van de vreetplaatsen. Nu pas begint de ziekte, die men met recht „vallen" kan noemen.

Een scherp onderscheid is te constateeren tusschen het inleidingsstadium, voor zooverre de koolvlieg daarbij werkzaam is, en het eigenlijke „vallen".

In de eerste plaats: Men kende het eenvoudig geval van aantasting

Sluiten