Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de vlieg reeds lang vóór het gecompliceerde geval met bijkomstigen kanker. Voorts nam men waar, dat de eerste kwaal bij droogte erger wordt en vele offers eischt, terwijl de tweede juist bij vochtig weer sterk toeneemt. In de zomers van 1903 en !904> die, *n tegenstelling met den zomer van I9°5» aan den Langendijk vrij veel regen brachten, kon men dit opmerken. I^an valt de tijd, waarop de vliegenplaag zich het sterkst doet gelden, niet altijd samen met dien van het „vallen". De eerste deed zich b.v. in 1905 in den Heer Hugowaardpolder vooral voor in vroege soorten uit de bakken, in Juni, terwijl men „het vallen" eerst drie k vier weken na het uitplanten van de late soorten opmerkte. In Zuid-Scharwoude werd in de eerste weken na het uitplanten van de late roode kool, dat ± 20 Juni plaats had, veel over droogte geklaagd, en in de uitplantingen gingen vele exemplaren te gronde door Afithofnym. Het „vallen ' vertoonde zich pas 3 è. 4 weken na den planttijd.

In de tweede plaats: Het verschil tusschen eenvoudige vreterij en het complex geval, dat „vallen" genoemd wordt, is bij nauwkeuriger beschouwing te zien. Figuur 34, voorstellende een „valler", in vergelijking met den gezonden stronk, die in fig. 8 is afgebeeld, laat op een der bladsporen een beginnende kankerplek zien, uitgaande van een kleine wond. Hier is de schors ingezonken, en donker van kleur. Langzamerhand breidt de plek zich uit, de randen zijn donker, het centrum schijnt lichter door het binnentreden van lucht in de afstervende weefsels. Ten slotte is de schors plaatselijk geheel verteerd, op de vezels na. Dit is met het bloote oog aan de plant te zien. Een loupe is echter noodig om waar te nemen, dat aan den rand van de afgestorven plek kleine rose stipjes zitten, die later zwart worden en die de pykniden van de kankerzwam zijn. (Fig. 34 wijst dit niet aan, fig. 47, voorstellende een zesmaal vergroot kankerplekje op een roodekoolblad, wel.) Terwijl de kankerplek op het bladspoor, in vergelijking met de oorspronkelijke wond groot is, ziet men aan den wortel een zeer groote wond, in vergelijking waarmee hetgeen men van den kanker op 't eerste gezicht ziet, gering is. De wortel is n.1. verwoest door Anthomyia. Hier en daar ziet men nog de resten van door de made gemaakte gangen, maar daaromheen is de schors weggekankerd, alleen de vezels zijn er nog van over. Het hout is afgestorven, vezelig aan de oppervlakte en donkerbruin gekleurd. Ook hier vindt men bij nauwkeurig onderzoek op den rand, of daarbinnen, tusschen de vezels, de pykniden. Wanneer de ziekte zoover gevorderd is, dat de larven van Anthomyta verdwenen en ook de gangen niet meer te herkennen zijn, wijst de volledige afwezigheid van alle bijwortels nog

Sluiten