Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gepikt was, of van draaiharten, waar het uit weg was gerot, en waarbij de onderste kropbladeren een kom vormden, waaruit het water niet weg kon loopen. Plaatsen van den stam, die langen tijd op die wijze met stagneerend water in aanraking geweest waren, vertoonden ten slotte ook kankerplekken, op welke de kleine pykniden te voorschijn kwamen.

Op de bewaarplaatsten doet zich de kanker voor, zooals Ritzema Bos hem beschrijft (zie vorig hoofdstuk). Later breiden de plekken zich uit, groote holten vallen in het weefsel, en de binnenzijde dezer holten, soms ook een deel van het aan de buitenlucht grenzend weefsel, is met myceliumvilt bedekt. Van den stronk gaat de kanker over op de hoofdnerven, eerst van de buitenste kropbladeren, later ook op die van den stam. Zulke bladeren verwelken ten slotte en krijgen een vale, later gele kleur. Pykniden vormen zich overal op den rand van de kankerplekken.

Daar waar tusschen de bladeren van een kool of bij aanraking van verschillende kooien, de verdamping belemmerd wordt, treedt viltig mycelium uit de oppervlakte naar buiten en gaat van het eene blad op het andere over, of van de eene kool op de andere. In dit geval dringt het mycelium niet alleen door wonden binnen. Hierop kom ik, bij het bespreken van de wijze van infectie, nader terug. Kankerplekken, die zonder voorafgaande verwonding ontstaan, zijn eerst zeer klein en, op roode koolbladeren, zeer donkergroen, op bladeren van andere soorten donkerbruin. Later breiden zij zich uit, en het midden is dan vaalbruin, terwijl bij roode kool een smalle rand donkergroen blijft. Aan dezen rand vormen zich weer de pykniden.

Ook bij de bewaarkool zijn er wel eens uitwendige kenteekenen, die een aanwijzing geven, hoe de kanker daar komt. Sommige kooien waren reeds op het veld in lichten graad door de ziekte aangetast. De kanker ging van de holten der Barislarven uit, en met zeer kleine kankerplekjes in hout of merg kwam de kool op de bewaarplaats. Ook trof ik in December 1905 *n de schuren kooien aan met holten in het merg, die leeg waren, maar die aan hun plaatsing deden vermoeden, dat zij van Baris afkomstig waren. De laatste generatie van de koolvlieg legt haar eieren ook op de kooien van de bewaarplaats. Op 16 December 1905 werden larven van de koolvlieg gevonden in kooien, die ongeveer een maand geleden in de schuur waren gebracht. Deze larven boorden in de hoofdnerven der bladeren, en van uit die plaatsen strekten zich kankerplekken uit in het weefsel. Later ontwikkelden zich op deze plekken ook de kleine pykniden.

Gewoonlijk komt echter de kanker eerst op de bewaarplaats in de kooien, zonder te worden ingeleid door insectenvreterij. In een schuur werd

Sluiten