Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wees ik reeds. Evenwel is niet alle slik van deze goede kwaliteit. Men werpt een groot deel van de zieke kooien en verdere plantenresten in de slooten. n de nabijheid van huizen hoopt zich dergelijke plantenafval in de slooten op; hierin bevinden zich, behalve rottingsbakteriën, ook de parasitische en halfparasitische fungi van de kool. Of deze, na eenig verblijf in het water, ij ven leven, is mij niet bekend. Onderzoekingen over het lot van in den grond begraven parasitische fungi zijn onlangs door Aderhold (42) verricht, en hebben aan het licht gebracht, dat zij (Rkytisma-, Melampsora-, Fusl c a mmNectna-, Puccinia- en üromyces-species) door begraven gedurende den winter van de plantendeelen, waarop zij voorkomen, niet vernietigd worden, integendeel, dat zij zich verder ontwikkelen en nieuwe vruchtlichamen en sporen maken. Ook in de, in het water geworpen koolafval, zouden zich de schadelijke fungi verder kunnen ontwikkelen, en zij zouden dus bij het „slikken weer op 't land gebracht kunnen worden. In elk geval kunnen de half parasitische en de saprophytische fungi zich uitstekend vermenigvuldigen op de koolresten, die op het land zijn blijven liggen, en die, welke er bij het slikken zeer plaatselijk weer op zijn gebracht.

Hieruit is mijns inziens te verklaren, waarom het mesten van de banen met slik plaatselijk zoo geheel verschillend werken kan. Vooral in de buurt van de huizen en koolschuren, waar bij de inspectie van de bewaarkool telkens groote hoeveelheden, door zwammen en bacteriën aangetaste bladeren worden weggeworpen, gaat een slechte invloed van de slikbemesting uit.

Maar er is meer, dat de banen in de buurt van de huizen tot broeiplaatsen van ongerechtigheid maakt. De poppen van de koolvlieg heb ik in grooten getale gevonden in de koolschuren; de larven van de laatste generatie worden met de kooien naar de schuren gebracht; zij leven daar nog eenigen tijd in kooien en koolafval, alvorens zich in den grond, op beschutte plaatsen, in composthoopen, enz. te verpoppen. Het is duidelijk, dat hierdoor,

vooral in de buurt van de huizen, een groot aantal koolvliegen in het volgend voorjaar vrij komt.

Behalve de koolvlieg doet ook de boorsnuittor zeer veel schade op de plantenbanen. De beschadiging door dit insect teweeggebracht, wordt weinig opgemerkt. Bij duidelijk waarneembaren slechten stand der jonge planten vond ik, dat zij dikwijls door de boorsnuittor waren aangetast. Het is begrijpelijk, dat dit insect ook bij voorkeur de teêrste planten op de banen zal aantasten. Dat het den kanker overbrengt, bleek reeds in het vorige hoofdstuk.

Behalve de reeds genoemde insecten, .heb ik op de banen, en later ook op de velden, nog gevonden larven van Phytomyza rujicornis, borend in

Sluiten