Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. De insecten.

De koolvlieg. — De boorsnultkever. — De mineervlieg der bladnerven. — Aardvlooien.

De mensch verwondt de koolplant somtijds bij het schoffelen; waterratten vreten dikwijls de wortels aan; slakken, ritnaalden en millioenpooten beschadigen haar, maar meer dan deze zijn de in het opschrift genoemde insectensoorten voor bloem- en sluitkool van belang. Ofschoon ook aan verwante gewassen schadelijk, zijn zij vooral op kool verzot; van de gangen, die zij graven en die dikwijls samenvloeien, gaat de besmetting met Phoma oleracea meestentijds uit. Nadere bijzonderheden over die gangen vindt men in het zesde hoofdstuk; hier wordt alleen de levenswijze behandeld, in hoofdzaak ontleend aan de literatuur, hier en daar aangevuld door eigen waarnemingen.

Een groot aantal larven van de koolvlieg werd door mij verzameld op verschillende tijden en plaatsen in Noord-Holland. Van elke partij werd een deel ter hand gesteld aan Dr. de Meyere, die zoo welwillend was ze te determineeren. Er waren twee soorten volgens hem. De meeste, o.a. ook die, welke ik in larve- en popvorm in de bewaarkool had gevonden, behoorden tot Anthomyia (Chortophila.) brassicae Bouché (= floralis auct.). Dr. de Meyere had van deze soort in zijn collectie exemplaren, indertijd door Dr. Wttwaall uit witte kool van Rijnsaterwoude opgekweekt. In de naamlijst van Nederlandsche diptera (47) wordt bij A. floralts nog opgegeven: „uit koolrapen (v. Vollenhoven) ; voorts, uit zomerknollen en koolrapen (Wttwaall).

De andere soort, die in slechts weinig exemplaren door mij verzameld was, werd door de Meyere herkend als Anthomyia (Chortophila) cilicrura Rond. ( platura Meiz. p. p.) Laatstgenoemde soort kweekte de Meyere ook uit koolstronken van Schagen, die hij in 1901 van professor Ritzema Bos ontving, en Ritzema Bos kweekte ze in 1906 uit kiemplanten van