Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bruine boonen uit Vierpolders, in de zaadlobben en stengels waarvan de larven vraten.

Slingerland (39) stelde in zijn verhandeling over „The Cabbage Root Maggot" de meeste bijzonderheden over de koolvlieg te boek. Hij geeft als voedsterplanten van Anthomyia brassicae (volgens hem identiek met floralis) op: kool, turnip, rutabaga, radijs, Mathiola en de onkruiden Barbarea vulgans en Sisymbnum officinalis. Ook hij vond, vermengd met deze soort, Anthomyia cilicrura, waarvan de larven een ruimer keuze van voedsel hebben, en wel kool, radijs, Sisymbrium officinalis, uien, boonen, kiemplanten van granen en... sprinkhaneneieren. In den herfst van 1876 bleek n.1., dat deze insecten ongeveer 10 percent van de sprinkhaneneieren in Missouri, Kansas en Nebraska verwoestten, en ook duizende eieren in de staten Minnesota, Iowa, Colorado en Texas uitzogen. Dit is een merkwaardig geval van een insect, dat zoowel dierlijk als plantaardig voedsel eet, en tegelijk nuttig en schadelijk kan zijn.

.Vóór Slingerland was het vooral Taschenberg (46), die als autoriteit omtrent de levenswijze van de koolvlieg werd geraadpleegd. Wij lezen daar, dat het insect zoowel in den vorm van imago als van pop overwintert, dat vroeg in het voorjaar het wijfje hare eieren in kleinere of grootere partijen zoo diep mogelijk aan den stengel legt, en dat de eieren in ongeveer tien dagen uitkomen. De larven boren zich onder in den stengel in, en maken gangen, dicht onder de oppervlakte van stengelbasis en wortel. Zij leven gezellig bijeen. De plaatsen, waar zij zich ophouden, gaan weldra in rotting over en jonge koolplanten verraden door matte loodkleur en verwelken der bladeren, den in den wortel levenden vijand. De volwassen larven veranderen in roodbruine poppen, in hun gang of in den grond. Daar acht weken voor de ontwikkeling van ei tot volwassen insect noodig zijn, komen minstens drie generaties per jaar voor.

Veel meer bijzonderheden omtrent de levenswijze van het insect geeft Slingerland. Hij vermeldt, dat de vliegen in 1894, op Long Island, einde April en begin Mei verschenen. De wijfjes loopen eenigen tijd over den grond, om een barst in de aarde te vinden en de eieren zoo dicht mogelijk bij den koolstam te kunnen leggen. Zoo zij geen barst in den grond vinden, kruipen zij zoo dicht mogelijk bij het koolstammetje en schuiven de eieren met de legbuis naar beneden. Er worden meestal één tot twintig eieren aan één plant gelegd. Maar ook is waargenomen, dat er wel 300 larven in één enkele koolplant aan het werk waren. Het normale aantal eieren, door een wijfje voortgebracht, bepaalde Slingerland op 55, Wanneer er

7

Sluiten