Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts weinig (10 —20) eieren aan één plant gelegd worden, zooals ik dat meestal waarnam aan den Langendijk, bewegen zich de wijfjes dus van de eene plant naar de andere. Voor een groot aantal moeten meerdere vliegen aan één plant hun bijdrage leveren. Slingerland is de eenige schrijver, die een afbeelding van de eieren geeft. Op de terreinen van het Instituut voor Phytopathologie te Wageningen vond ik de langwerpige eitjes ten getale van 3 tot 29 op den stengelbasis in de laatste weken van Juni 1906. Bij het uittrekken van de planten bleven zij voor een deel aan den bodem zitten, voor een ander deel gingen zij met de plant mee. Zij komen, volgens een waarnemer op Long Island, in vier tot tien dagen uit. Wanneer slechts weinig larven aan een plant voorkomen, zitten zij alle in gangen in den wortel. Zijn er een groot aantal, dan vinden zij daar alle geen plaats, sommige steken er half uit, maar de meeste liggen buiten den wortel en voeden zich met het sap dat hen als een slijmachtig vocht omgeeft. Drie tot vier weken brengt het insect in den larvetoestand door. Bij het verpoppen verwijderen de maden zich eenige centimeters van den wortel, maar ook blijven zij wel in de gangen zitten. Ik heb in den zomer van 1905 gevonden, dat van 19 binnenshuis opgekweekte larven, er twee 15 dagen in den popvorm doorbrachten, acht 17 dagen, vijf 18 dagen, drie 19 dagen en éen 20 dagen. Slingerland, die hierover veel uitvoeriger proeven heeft genomen, vond, dat de meeste, in Juni gevormde poppen plus minus 20 dagen in dien toestand verbleven, slechts enkele ongeveer 15 dagen, maar een vrij belangrijk aantal 2 maanden, sommige 3 maanden, en zeer enkele 3V2 maand.

Het is van groot belang het aantal generaties te kennen. De berekeningvan Taschenberg schijnt op den öntwikkelingstijd der eerste generatie gegrond. Slingerland vond, dat de eerste vliegen in eind April en begin Mei hun eieren leggen, en dat in Mei de eerste schade door de larve wordt aangebracht. Aan den Langendijk heeft men in 1905, zoover ik kon nagaan, het eerst de „maadjers" gevonden op 21 Mei. Op 7 Juni waren zij zeer talrijk en begonnen zij in den popvorm over te gaan. In het midden van de maand Juli waren zij wederom zeer talrijk. Dit was de tweede generatie. Slingerland's kennis van de derde generatie is zeer gering. Volgens hem is het de algemeene opinie van de tuinbouwers op Long Island, dat men dan weinig schade meer van de koolvlieg ondervindt. In Augustus worden daar de vroege oogsten van kool, bloemkool, radijs en turnips binnengehaald en de latere cultuur van deze gewassen is er zeer onbelangrijk. Vele andere schrijvers vonden de larven nog tot in November. Slingerland meent, dat wat na 1 Augustus voorkomt, laat ontwikkelde larven van de eerste twee