Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

20, niet meer dan vier. Dat voorloopig onderzoek deed den uitslag al voorspellen. Alle 60 planten bleven gezond; de lichtgewonde heelden zich door wondkurkvorming.

Op 2 en 4 Augustus zouden dan ook alle planten gezond geweest zijn, ware er niet een complicatie bijgekomen. Van de partij A waren er 3, van partij B 5, en van de contróleplanten 5 door de kool vlieg aangetast geweest. De gangen waren nog te zien, en bij sommige planten vond ik de leege pophuiden nog.

Nu was het opmerkelijk, dat in de eerste dagen van Augustus ook 3 planten van partij A en 5 van partij B een kwijnend uiterlijk hadden, wat bij geen van de contróleplanten het geval was. Die 8 planten lieten overdag de bladeren hangen. Overigens kon niet opgemerkt worden, dat zij op vallers leken; maar dit was geen wonder, want zij groeiden in den tuin te Amsterdam, waar het zeer beschut en beschaduwd was, eenvoudig in de hoogte, zonder kroppen te vormen. Dit deed evenwel aan de proef geen schade; microscopisch onderzoek toonde aan, dat Phoma^ykmde.v\ zich alleen op de 8 kwijnende planten ontwikkelden. Hier bleek dus:

iste, dat infectie met Phorna zonder, of met zeer oppervlakkige wond,

bij flink groeiende planten zonder resultaat is;

2de, dat koolvlieglarven, in niet te groot aantal vretend aan niet met Phoma oleracea besmette planten, nagenoeg onschadelijk zijn; en 3de, dat Anthomyia en Phoma samen de planten gemakkelijk te gronde kunnen richten.

Hierbij valt nog op te merken, dat de vliegen, hun ontwikkelingstijd in aanmerking genomen, vóór Juli hun eieren aan de planten gelegd moeten hebben. Transport van de zwam door de vliegen heeft niet plaats gehad, want dan zouden de contróleplanten ook wel door Phoma besmet zijn geworden. Er schijnt dus maar één generatie aan 't werk geweest te zijn in mijn cultuur te Amsterdam; één generatie van vliegen toch, kan de zwam, die te diep onder den grond gebracht was, niet hebben overgebracht; een tweede generatie, voortgekomen uit larven, die met den wortelhals in aanraking geweest waren, had dat wel kunnen doen.

Proef C. Op 10 Maart 1906 werden op het terrein van het Instituut voor Phytopathologie te Wageningen, 20 baanrijpe bloemkoolplanten (andere soorten waren er nog niet) besmet, voor de eene helft door z.g. directe besmetting, dus door van een, met Phomapykniden bedekt stuk van een kankerstronk het infectiemateriaal te nemen, en voor de andere helft door besmetting met een reincultuur van 5 maanden oud. Het infectiemateriaal werd

Sluiten