Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fig. 43 doet ons zien, hoe genezing plaats heeft van een wond, dóór den wortel aangebracht, loodrecht op de richting van de protoxyleemstralen. Een dunne callus is door het cambium zelf en door het nieuw ontstaan phloëem voortgebracht, en het periderm van dezen callus heeft de verbinding van het kernhout met de oorspronkelijke kurklaag tot stand gebracht. De dunne mergstreng is tot callusvorming overgegaan en ook hier hebben nieuwe tangentiale wanden het aantal der cellen vermeerderd. In den wortel, die zich onder den grond bevindt, schijnt dus het vermogen om callus te vormen beter tot zijn recht te komen.

In fig. 44 ziet men, dat een wond, in de richting van de primaire houtstralen door den wortel aangebracht, het secundaire hout niet raakt. Hier vormt zich rijkelijk callus uit de blootgelegde cellen van de breede mergverbindingen en het gedeelte van dit weefsel, dat grenst aan het cambium en het phloëem, is zeer geneigd tot het vormen van adventiefwortels, van welke er ook één in de figuur is geteekend. De callus bedekt zich hier weer met een kurklaag, die den geheelen wortel van de buitenlucht afsluit.

Voorts wordt bij dwars doorsnijden van den stam een wond aangebracht, waarvan de genezing hier ter sprake moet worden gebracht.

Bij nog vrij jonge kooltjes, waar de, in den grond staande stam, minder dan i cM. dik is, vormen zoowel merg, houtparenchym als schorsparenchym van het achterblijvend, onder de snij vlakte zich bevindend, gedeelte, callus. In den callus van het merg komen tracheïden, in dien van de schors, steencellen voor. De houtvaten vullen zich met gom en de zeefvaten worden toegedrukt en cutiniseeren. De, anders in rust gebleven okselknoppen, loopen uit.

Bij het oogsten heb ik de snijvlakte van de afgesneden kool in zijn verdere ontwikkeling nagegaan aan exemplaren, in vochtige omgeving geplaatst. Hiervoor geldt wat Beyerinck schrijft van Cichoriumwortels: „Zeer interessant zijn de stukken, welke uit hun onderste wondvlakte callus hebben gevormd; dit is daarover niet gelijkmatig verspreid, maar ter plaatse waar zich de secundaire phloëemstrengen bevinden, doet het zich vooi" als verstijfde droppels, welke uit deze bundels gevloeid schijnen te zijn. Uit elk dezer callusdroppels hangt een bijwortel loodrecht naar beneden" (56).

De meristematische weefselgroepen, die aanleiding tot de wortelvorming geven, worden aangelegd tegen het vaatbundelphloëem. Deze plaatsen hebben een sterker regeneratief vermogen dan alle andere weefsels. Dit blijkt vooral, wanneer men dwarse doorsneden maakt door een koolkrop. Men snijdt dan de, elkaar omvattende kropbladeren, dwars door. Een groot aantal

Sluiten