Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of meer aangeboord, wat vooral bij de fijnere verbindingen van de vaatbundels der zijwortels met den secundairen ring van den hoofdwortel, groote verwoestingen aanricht. In zeer korten tijd kan dus een groot gedeelte van het wortelstelsel buiten werking worden gesteld. De plant vertoont in deze omstandigheden verwelking der bladeren. Zij tracht zich te herstellen door de vorming van adventiefwortels uit de bladsporen. Dikwijls ligt van gezonde planten de stam een eindweegs over den grond; dan komen reeds in de lagere bladsporen adventiefwortels tot ontwikkeling; bij vallers is dit in veel sterkere mate het geval en somtijds nog vrij hoog boven den wortelhals.

De vorming van adventiefwortels is reeds zeer lang bestudeerd geworden. De oudere physiologen (Knight, De Candolle) nemen reeds het bestaan aan van twee sapstroomingen in de plant, een opstijgende en een neerdalende. Veranderingen, die door het verbreken der stroombanen plaats hebben, kunnen plaatselijke ophooping der voedende stoffen doen plaats grijpen, welke ophooping aanleiding kan zijn tot het optreden van nieuwvormingen: „de opstijgende stroom, die zich voornamelijk langs het xyleem beweegt, is hierbij van bijzonderen invloed op het ontstaan van knoppen in het boveneinde, de neerdalende stroom, waarvan een belangrijk gedeelte het phloëem of cambiform der vaatbundèls volgt, begunstigt de ontwikkeling van wortels aan het ondereinde van het betrokken orgaan" (Beyerinck (56), zie ook Goebel (60)). Goebel en Klebs (61) hebben zich beijverd om op te komen tegen de teleologische opvatting, alsof de doelmatigheid van het optreden van een regeneratie, op zich zelf reeds de oorzaak van haar vorming kon zijn. Goebel stelt zich op het standpunt, dat de plaats, waar nieuwvormingen ontstaan, niet uit de, in haar wezen nog zeer onbegrijpelijke „polariteit" kan worden veiklaard; ook volgens hem speelt hier veeleer de richting" van de stofverplaatsing een overwegende rol.

Voor de vorming van adventiefwortels gaat een deel der cellen van een volgroeid weefsel in den embryonalen toestand over. Dit heeft bij onze koolplanten plaats in de buitenste cellagen van phloëem en cambiform der vaatbundels of in de, onmiddellijk daaraan grenzende cellagen van het parenchym van callusbedekkingen, die zich over de benedenste bladsporen hebben gevormd. Deze plaats, overeenkomend met het pericambium der wortels, is de gewone plaats van aanleg van adventiefwortels op bladsporen, en wel, zooals Hanstein (62) aantoonde, omdat „die Cambiform und ahnliche Strange nothwendig mitwirken mttssen, wenn es darauf ankommt, die ganze Nahrsubstanz für den Aufbau der Wurzeln hinab zu leiten' (62). Ook de vroeger door mij beschreven

Sluiten