Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte inoet hier opgemerkt worden, dat de conclusies, waartoe dit onderzoek leidt, alleen zullen mogen gelden voor die data, waarop de pereeelen bij laagwater alle onderblijven. Komen pereeelen bij eb boven, dan blijven deze natuurlijk voor den verontreinigden stroom gespaard; maar in dat geval zullen de verder van den dam gelegen pereeelen kans loopen op sterker verontreiniging dan nu werd geconstateerd. Op grond van de verkregen resultaten laat zich verwachten, dat die verontreiging in Westvvaartsche richting op overeenkomstige wijze zal afnemen als bij dit onderzoek het geval was. Om die reden moet men dan ook aannemen, dat onder bepaalde omstandigheden ook voor de pereeelen Nos. 85 en 9, eene onvoldoende zuiverheid zal kunneu worden geconstateerd.

Het voorafgaande samenvattende komt men tot de volgende resultaten:

1°. Bij het onderzoek van den 22sten October 1908 bewoog zich het in de haven geloosde water dicht onder den wal in Westelijke richting en verooizaakte eene verontreiniging van de aldaar gelegen pereeelen, welke verontreiniging op eenigen afstand van den havenmond langzamerhand afnam. Op perceel No. 61 was deze verontreiniging nog juist merkbaar; perceel No. 56 kon nog als „voldoende zuiver" worden beschouwd.

2°. Op dezen datum bleven de op grooteren afstand van den havendam gelegen pereeelen voor verontreiniging gespaard. Wanneer echter het water lager wegvloeit dan bij dit onderzoek het geval was, moeten ook verschillende dezer pereeelen beslist verontreinigd worden. De grens voor deze verontreiniging mag worden aangenomen te zijn de lijn gevormd door de pereeelen Nos. 74, 85 en staatsperceel No. 9

Den 6den October 1908 werden een zestal monsters mosselen aan een

onderzoek onderworpen en wel van de staatsperceelen Nos. 9 en 12 en van de

ambachtsheerlijke pereeelen Nos. 56, 65, S0 en 89. De resultaten van dit

onderzoek vindt men in de bijlagen Hj—H, (monsters Nos. 653—658). De

bedoeling was deze monsters te vergelijken met een drietal mosselen op

denzelfden datum op een volkomen zuiver perceel geschept. Daar echter deze

laatste mosselen door byzondere omstandigheden vry langen tijd onderweg

waren vóóidat ze aan het bacteriologisch onderzoek onderworpen werden en

dientengevolge de uitkomsten niet zoo gunstig waren als verwacht kon worden,

zijn deze hier niet vermeld, maar werd eenigen tijd later nogmaals een monster

onderzocht van een zuiver perceel en wel van perceel No. 539 van het

Biabantsch Vaarwater. De resultaten hiervan zijn vermeld in bylage H3

(monster No. 659). Zooals uit deze bijlage blijkt, werd in drie gevallen geen

coli geconstateerd in 1 c.M\ vloeistof; in de overige drie gevallen werden

coli-bacteriën aangetroffen in 1 c.M\ Van de eerste mossel bedroeg het aantal

bacteriën 150 per c.M3., waarbij geen versmeltende, van de tweede was dit 250

per c.M5., met 50 versmeltende. Deze mosselen mogen dus zeer zuiver worden genoemd.

Alvorens de resultaten van het mosselonderzoek van Bruinisse te bespreken, dient vermeld te worden, dat de sluis in de haven, ondanks den

Sluiten