Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen coli-bacteriën werden gevonden. Het chloorgehalte bedroeg 15,27 gram per L. Het tweede monster (No. 701), tijdens hoogwater geschept, vertoont eene kleine afwijking in het chloorgehalte, dat nu 14,98 gram per L. bedraagt; overigens is ook dit volkomen zuiver te noemen en mag dat geringe verschil in chloorgehalte niet met zekerheid aan vermenging met polderwater worden toegeschreven. De beide volgende monsters (Nos. 702 en 703) zyn eveneens zeer zuiver; de oxydatiewaarden bedragen op eene enkele uitzondering na steeds minder dan 2,5. In het vijfde monster (No. 704), genomen 3 uur nèt hoogwater, zijn coli's geconstateerd in 1 c.M*. vloeistof; het bacteriën-aantal van ditzelfde monster is zeer gunstig; van eenige verontreiniging kan dan ook hier niet gesproken worden. Na dit tijdstip komen de slikken boven en daarna kan, zooals gezegd, zoolang de eb duurt, het water, dat zich in de vlei bevindt, onmogelijk aan verontreiniging door polderwater blootstaan. Dat dit water zeer zuiver is, bewijst ten overvloede nog het laatste bij dit onderzoek genomen watermonster (No. 706), waarvan de oxydatiewaarde 2,42, het aantal bacteriën slechts 150 per c.M3. bedraagt, waarbij in 't geheel geen versmeltende kiemen.

Denzelfden dag, waarop de watermonsters geschept zijn, werden ook een aantal oesters, uit de vlei afkomstig, aan een bacteriologisch onderzoek onderworpen. De resultaten van dit onderzoek (bijlage L,, monster No. 707) zijn zonder uitzondering zeer gunstig te noemen. In drie van de zeven onderzochte schelpdieren werden coli's aangetroffen in een minimum-hoeveelheid van 1 c.M8. vloeistof, terwijl in de vier andere geen coli-bacteriën werden geconstateerd. Ook het bacteriën-aantal was laag en bedroeg voor één der oesters slechts 150 per c.M5., voor een andere slechts 250 per c.M*. Deze oesters kunnen daarom, wat hare zuiverheid betreft, als „zeer goed" gequalificeerd worden.

Om zekerheid te verkrijgen, dat ook het met den vloed terugkeerende polderwater geen noemenswaardigen invloed op de zuiverheid van de vlei uitoefent, wTerden den 4den Maart een tweetal watermonsters in de vlei geschept. De resultaten zijn neergelegd in de bijlage M. Het eerste monster (No. 708) werd geschept drie kwartier na laagwater, op een moment, dat reeds eene vrij groote quantiteit vloed water uit de Grevelingen de vlei binnengestroomd was. Het chloorgehalte van dit monster bedroeg 14,62 gram per L., het aantal kiemen 725 per c.M3., waarbij 75 versmeltende; de coli-grenzen bedroegen 710—1 en 1—10 c.Ms., terwijl van het zuivere rivierwater op dezen zelfden datum (zie monster No. 667) het chloorgehalte 15,09 was, het aantal kiemen 150 per c.M3., met 25 versmeltende en in 1 c.Mj. hiervan geen coli-bacteriën geconstateerd konden worden. Een zeer gering verschil in zuiverheid was dus werkelijk merkbaar, hetgeen trouwens, zooals wij zagen, den loop van het rivierwater in aanmerking genomen, verwacht kon worden.

Anderhalf uur na laagwater is een tweede monster (No. 709) genomen in de vlei. Het chloorgehalte hiervan is gelijk aan dat van het eerste monster, de oxydatiewaarde is lager dan in het eerste geval, de coli-grenzen bedragen nu beide 1—10 c.M». Van een verschil in zuiverheid van 't water met dat van het monster (No. 667) is nu nagenoeg niets meer te bespeuren.

Sluiten