Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

#

V. De perceelen Nos. 491, 492 en 493. Ylei van Ouwerkerk.

Met 2 bijlagen, Van de perceelen Nos. 491, 492 en 493, gelegen aan den Zuidelijken

gemerkt Pen Q. oever van Duiveland, wordt alleen de zoogenaamde vlei van Ouwerkerk voor oestercultuur gebruikt. Deze vlei, welke ongeveer evenwijdig aan den zeedijk loopt, strekt zich uit over de beide eerstgenoemde perceelen en een deel van het laatste; tijdens laagwater staat zij aan het Westelijke uiteinde met het Keeten in open verbinding, terwijl zij overigens geheel door hooge slikken omgeven is. Een tweetal sluizen loozen haar water in de onmiddellijke nabijheid der genoemde perceelen en wel in de eerste plaats eene sluis bij Viane, welke het water loost van den Oosterlandpolder. Dit wordt bij eb naar het Keeten afgevoerd door eene zeer lange geul, die de Noordoostelijke grens vormt van perceel No. 493. Deze sluis levert weinig of geen gevaar op voor de zuiverheid der oesters in de vlei, daar de slikken, welke deze omgeven, reeds boven water staan, vóórdat de sluis begint te sueeren. Alleen het water dat met eb geloosd en naar de Ooster-Schelde afgevoerd is, zou met den vloed terugkeerende de vlei kunnen bereiken; het zal dan echter te sterk verdund zijn om belangrijke verontreiniging te kunnen veroorzaken. Meer gevaar kan worden opgeleverd door het water dat geloosd wordt door de tweede sluis, namelijk die van den Vierbannenpolder, welke uitkomt op perceel No. 491, juist in de monding deivlei. Deze sluis, waarvan in dit Rapport bij de bespreking van het Dijkwater reeds even melding is gemaakt, is des zomers afgedamd, des winters werkt zij echter en zooals de ondervinding heeft geleerd wordt vooral bij Zuidwesten en Westen winden een groot deel van het geloosde polder water bij het opkomen van den vloed in de vlei gedreven. Het was dus wenschelijk de mate van verontreiniging, die daardoor wórdt teweeggebracht, door een bacteriologischchemisch onderzoek nog nader vast te stellen.

Hiertoe had den 4den Maart 1908 een wateronderzoek plaats (zie bijlage P). Drie uren vóór laagwater, op welk tijdstip nog geen van beide sluizen sueerde, werd een monster geschept in de vlei op perceel No. 493. Van verontreiniging van dit monster (No. 723) kan op dat oogenblik nog geen sprake zijn, omdat de slikken nog onderstaan en dus alles door het zuivere vloedwater overstroomd wordt. Het chloorgehalte bedraagt dan ook 14,89 gram per L., de oxydatiewaarde 2,70, terwijl de coli-grenzen zeer hoog zijn.

Een half uur vóór laagwater werd een monster genomen binnen de sluis bij Viane en binnen die van den Vierbannenpolder. Beide sueerden toen reeds gedurende een uur. De oxydatiewaarde van het eerste monster (No. 724) was

Sluiten