Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zuivere monster, bij hoogwater genomen, opleverde, dan is, zooals reeds opgemerkt, de invloed van het geloosde polderwater wel degelijk duidelijk zichtbaar. Was nu dit water in sterker mate verontreinigd geweest dan op dezen datum het geval was, dan zouden de uitkomsten voor de vlei zeker ongunstig zijn uitgevallen. De hooge oxydatiewaarde ook op dezen dag is een teeken, dat het polderwater aan belangrijke verontreiniging met organische stof blootstaat en daar zich in dat geval onder bepaalde omstandigheden bacteriën kunnen ontwikkelen en ook pathogene kiemen, indien zij voorkomen, tot groei kunnen komen, zoo kan men de vlei, niettegenstaande de redelijke resultaten, toch niet als betrouwbaar aanmerken.

Den 31sten Maart had een tweede wateronderzoek (zie bijlage Q monsters

Nos. 730—737) plaats, ten einde zoo mogelijk bovenstaande uitkomsten, hoewel

op zich zelf reeds overtuigend genoeg, nader te bevestigen. Korten tijd voordat

de monsters geschept werden, toen er geen gelegenheid meer bestond om dit af

te gelasten, liep de wind, die tot nu toe Zuidwest geweest was, naar het

Noorden. Tijdens het onderzoek woei er een zeer krachtige W.N.W. wind, dus

juist in de richting van de geul, welke het door de sluis van den Vierbannen-

polder geloosde water naar de Schelde voert. Deze omstandigheid is zonder

twijfel de oorzaak geweest, dat op dezen datum eene veel geringere hoeveelheid

polder water in de vlei vloeide dan bij het vorig onderzoek het geval was. Bij

het beschouwen der tabel zij er bovendien op gewezen, dat het polderwater

slechts zeer weinig verontreinigd bleek te zijn en daarbij een ongewoon hoog

chloorgehalte bevat, namelijk 10,69 gram per L. Het liet zich dus verwachten

dat de invloed van het polderwater, hetwelk nog in de vlei gekomen is, slechts

gering zou zijn. Toch waren de uitkomsten van dien aard, dat wel degelijk

ook nu de aanwezigheid van polderwater in de vlei te constateeren was De

verontreiniging der vlei bleek het sterkst te zijn drie kwartier na laagwater,

hetgeen duidelijk zichtbaar is aan de vrij hooge oxydatiewaarden van het drietal

monsters (Nos. 733—735), dat toen op verschillende punten in de vlei is

geschept. Anderhalf uur na laagwater, op welk tijdstip de laatste monsters

(Nos. 736 en 737) genomen zijn, is de verontreiniging van het water reeds eenigszins afgenomen.

Dienzelfden dag werden ook een aantal oesters van de beide perceelen, Nos. 491 en 492, aan een onderzoek onderworpen. Daar de watermonsters, welke in de vlei geschept waren, op zich zelf beschouwd, niet zeer ongunstig bleken te zijn, kon verwacht worden dat ook de oesters vrij gunstige resultaten zouden opleveren. Beide monsters (Nos. 738 en 739) zijn ongeveer even zuiver: van de acht onderzochte schelpdieren werden in twee daarvan geen coli's Geconstateerd in 1 c.M\ vloeistof, daarentegen was dit vijfmaal wel het geval, terwijl zij eenmaal bleken aanwezig te zijn in V.» c.M'. De bacteriën-getallen waren vrij hoog en bedroegen in twee gevallen resp. 5400 en 4750 per c.M8.

Er zij hier nogmaals op gewezen, dat de betrekkelijk gunstige resultaten

Sluiten