Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogwater geschept. Uit de resultaten vau dit drietal monsters volgt, dat er geen belangrijk verschil valt te constateeren tusschen de zuiverheid van het water korten tijd na eb en tijdens hoogwater. Gedurende deze periode is er blijkbaar geen sprake van eenige verontreiniging door havenwater, niettegenstaande met het oog op de stroomrichting, dit juist het meest ongunstige moment voor den put moet worden geacht, wat betreft den invloed van het door de sluis te Zierikzee geloosde water.

Het monster (No. 716), dat anderhalf uur n£i hoogwater is geschept, is iets minder zuiver dan het voorafgaande, terwijl ook het laatste monster (No. 717). genomen even voordat de put weer boven kwam, eene zeer geringe afwijking in zuiverheid vertoont. Van eenige beteekenis is deze afname in zuiverheid volstrekt niet.

In het chloorgehalte van het geheele vijftal monsters is nauwelijks eenig verschil te constateeren, zeer zeker een krachtig bewys daarvoor dat gedurende de geheele periode van het onder water staan van den put van eenige noemenswaardige verontreiniging door zoetwater, afkomstig uit de haven van Zierikzee, geen sprake is.

Ten einde eenig inzicht te verkrijgen in den toestand van het water, dat zich tijdens hoogwater in de haven van Zierikzee bevindt, zijn op denzelfden datum een tweetal monsters (Nos. 718 en 719) genomen in den havenmond, het eerste dertig minuten na hoogwater, het tweede ongeveer drie uren later. Beide monsters bleken zuiver te zijn, waaruit volgt dat het verontreinigde water bij vloed tot achter in de haven wordt teruggestuwd en eerst geruimen tijd daarna vuil water de havenmonding bereikt.

Het laatste monster (No. 720) van dezelfde bijlage, dat genomen is binnen de Westerhavensluis, geeft een denkbeeld van den enormen staat van verontreiniging van het water dat in de Zierikzeesche haven wordt geloosd. De oxydatiewaarde bedraagt niet minder dan 48,97. Het aantal kiemen 400,000 per c.M3., waarbij 20,000 versmeltende, terwijl het aantal coli-bacteriën meer dan 1000 per c.M3. bleek te zijn.

Denzelfden dag, waarop het wateronderzoek plaats vond, wprd, zooals gezegd is, ook een aantal oesters uit dezen put aan een onderzoek onderworpen. (Zie bijlage N», monster No. 721).

De uitkomsten van dit onderzoek zijn gunstig te noemen. De coligrenzen waren zeer hoog. Van het zevental onderzochte schelpdieren, werden er in vier geen coli-bacteriën geconstateerd, in de overige drie waren colibacteriën aanwezig in 1 c.M3. De bacteriëngetallen waren laag en bedroegen bij een drietal oesters gemiddeld 1200 per c.M8., waarbij slechts zeer weinig versmeltende kiemen.

Van het tweede oesteronderzoek, hetwelk den 3<ien November verricht werd (zie bijlage O, monster No. 722), waren de uitkomsten een weinig minder gunstig, maar toch nog zeker voldoende. Ook hier wareu de coli-grenzen zeer

O O <

Sluiten