Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder den machtigen indruk van het mysterie des levens heeft Goethe gezongen:

„Freudig war vor vielen Jahren Éifrig so der Geist bestrebt,

Zu erforschen, zu erfahren,

Wie Natur im Schaffen lebt."

Sinds zijn wederom vele jaren voorbijgaan, jaren, waarin het wetenschappelijk streven een spankracht openbaarde en een vlucht nam, zooals de vorst der Duitsche dichters nog niet aanschouwen kon. En toch kan ook nu van het probleem des levens nog getuigd, dat van zijne oplossing het profetisch woord moet gelden, toen gevraagd werd aan den wachter : „wat is er van den nacht?" en het antwoord luidde: „het is nog nacht."

Arrhenius kwam dan ook tot de slotsom, dat het vergeefs is naar den oorsprong des levens te vorschen. Zooals men ophield over het ontstaan der materie te speculeeren, toen het bleek dat zy onvernietigbaar is, doch slechts andere vormen kan aannemen; zooals men ook thans zich niet meer afmat met den oorsprong der bewegingsenergie na te speuren, „zoo," zegt hij, „hebben wij ons nu te gewennen aan de gedachte, dat het leven eeuwig is."1)

Toch is het er verre van af, dat allen het daarmede eens zouden zijn. Integendeel, telkens duikt het bericht op, dat het gelukt zou zyn doode materie met leven te bezwangeren.2)

l) Das Werden der Weiten von Svante Arrhenius, Leipzig, 1907, S. 197. Wie die Menschen, frtlher über die Entstehung der Materie spekulierten, das aber aufgegeben haben, seit die Erfahrung gezeigt hat, dasz die Materie unzerstörbar ist und nur umgewandelt werden kann, und wie wir aus ahnlichen Grtlnden niemals die Frage nach dem Ursprung der Bewegungsenergie stellen, ebenso können wir uns wohl an den Gedanken gewöhnen, dasz das Leben ewig, und es deshalb zwecklose Arbeit ist nach seinem Ursprung zu lorschen.

*) a. a. O. S. 195. Fast jedes Jahr taucht in der biologischen Literatur eine Angabe au!, dasz es endlich gelungen sei tote Materie zu beleben.

Sluiten