Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze altaren hun plaats hadden, is niet bekend. Na 1566 zullen er wel vijf tegen de vijf muren van den trans hebben gestaan, een het hoofdaltaar, een ander dat in den „Heiligen Hoek'' geweest zijn. Voor een achtste altaar schijnt het moeilijk, een geschikte plek aan te wijzen. Het is dan ook twijfelachtig, of het in de i6e eeuw nog wel bestond, daar het sinds 1457 meer vermeld wordt.

In de middeneeuwen was men gewoon, het eigenlijke priesterkoor van de kerk door muren of hekken af te sluiten. Zulk een afsluiting zal ook in de Nieuwe Zijds Kapel wel bestaan hebben, doch er is niets meer van over. Ook de „Heilige Hoek" moet van de kerk door een hek zijn afgesloten geweest. Ik leid dit daaruit af, dat toen in 1578 „de Vaders vant Weeshuys bij provisije 't gebruyck der H. Stede" kregen, zij eerst de kapel aan de noordwestzijde en later het koor aan Jan Jacobsz. tot berging van zout en huiden verhuurden. Als er geen afsluitingen hadden bestaan, ware het verhuren dezer deelen niet wel mogelijk geweest.

De plaats der afscheiding van den „Heiligen Hoek" was natuurlijk in het verlengde van den noordelijken muur der kerk. Waar de afscheidingen van het koor stonden, is met minder zekerheid te zeggen. Wel staat het vast, dat tusschen de pijlers een afscheiding aanwezig was, maar waar die, naar het westen toe, eindigde, kan slechts worden gegist. Wellicht hebben wij haar te zoeken daar, waar het transept begint, omdat anders het priesterkoor al te geringe afmetingen zou hebben gehad. Voor de geloovigen bleven dan nog transept, zijbeuken en trans over.

Na de uitvoerige mededeelingen over de schilderstukken, welke reeds Wagenaar deed, kan ik er mij toe bepalen, in herinnering te brengen, dat deze fragmenten in 1845 uit een met behangselpapier overplakte muurkast in de kerkekamer weder voor den dag kwamen, en dat zij tegenwoordig, in lijsten achter glas gezet, zich in een der vertrekken bij de Nieuwe Kerk bevinden. Men acht die schilderstukken afkomstig van Jacob Cornelisz. van Oostzanen, doch verschilt van meening omtrent de bestemming der doeken. Sommigen zien er fragmenten van één groot geheel in, anderen denken aan verschillende composities. De heer Sterck oordeelt, dat de fragmenten een polyptiek boven een der altaren gevormd hebben, de heer

Sluiten