Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene paradijzige heugenis aan mijn eerste jaar in de Hoeksche Waard is diep en voor levenslang in mijn gemoed gegrift. Duisternis en onweer moeten er alleen 's nachts geweest zijn, want ik herinner ze mij niet.

Waarom ik dit alles hier vertel ? Omdat dit een Gedenkboek is. Het moge tevens een Dankboek wezen.

Onder de eersten, met wie ik buiten mijne gemeente kennis maakte, was de heer Hoogwerf, die zich sedert kort als boekhandelaar te Oud-Beierland had gevestigd. Wij betreurden het beiden, dat er bij zooveel welvaart zoo weinig geestelijk leven was op het eiland. Ik raadde hem aan, een klein weekblad te gaan uitgeven: dertig duizend hectaren gronds, dertig duizend inwoners! er moést aan zoo'n blad behoefte zijn; het moest goed gaan. Redacteur in den vollen zin van het woord zou ik niet kunnen wezen, maar voor het instructieve gedeelte van den arbeid zou ik wel kunnen zorgen.

De heer Hoogwetf wilde de zaak rijpelijk overwegen. Immers, een kapitaal van minstens tien duizend gulden moest eraan gewaagd worden.

In het najaar van 1877 associëerde hij zich met den heer A. Dorsman, in firma Dorsman & Odé, te Vlaardingen, voor de uitgave van een tweemaal 's weeks verschijnend blad, dat de belangen van Vlaardingen, de Hoeksche Waard en IJselmonde zou dienen, 's Zaterdags zou een heel, 's Woensdags een half vel gegeven worden. Met dat bericht kwamen de heeren tot mij, om te vernemen, of ik mijn woord gestand wilde doen en „het instructieve gedeelte" van de redactie op mij wilde nemen.

Ik aanvaardde het voorstel met blijdschap; ik zou elke week een kort overzicht van de buitenlandsche geschiedenis schrijven, hoofdartikelen slechts dan, als ik goede of schoone gedachten kon wekken, algemeene kennis kon verspreiden, de welvaart kon dienen, kortom werkelijk nut kon stichten. Ging de onderneming op, wat spoedig zou blijken, dan zouden we in de eerste plaats de verbetering van het verkeer trachten te bevorderen. Ik zou met de pen onderwijs geven in de algemeene geschiedenis en in de wijsbegeerte van het dagelijksche burgerlijke leven. Voor de rest zouden anderen zorgen.

En dadelijk stelde ik als titel voor: Nieuwsblad, gewijd aan de belangen van Vlaardingen, de Hoeksche Waard en de IJselmonde. Om alle gevoeligheden te ontzien, zouden wij de plaatsnamen rangschikken naar den smaak der lezers in elk deel van den kring. Hetgeen eenstemmig goedgekeurd werd.

Toen het plan uitlekte, ontmoette het, vooral in de Hoeksche Waard, sterken twijfel aan den goeden uitslag. „Lezen doen alleen de rijke lui," zeiden welmeenende vrienden; „de boer, de burger, de arbeider, ze zijn er niet aan gewoon, ze hebben er geen tijd voor, ze hebben er geene behoefte aan; ze stellen slechts belang in hun bedrijf en hun kleinen kring. We hebben weinig verkeer met elkander, nog minder met de wereld. Niemand heeft iets te berichten, aan te kondigen of te adverteeren buiten zijne gemeente. Hebben we geene omroepers, geene aflezers, geene aanplakborden? Vernemen we voor onzen handel niet het noodige van de commissionnairs en op de markten? Waarover zult gij schrijven ? Het platteland mist immers allen politieken zin ? Gij zult u algemeen gehaat maken, gij zult spoedig uitgeschreven zijn!"

Sluiten