Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is anders uitgekomen, al was de aanvang verre van prettig. „Wat kan er goeds komen uit Nazareth?" vroeg de een. „Wat verbeeldt een dorpsschoolmeester zich niet!" riep de ander. „Kijk, de man kent de taal niet eens: hij laat drukken: van de Hoeksch e Waard; terwijl toch alle boeken en kaarten spreken van den Hoekschen Waard!"

Aan kleingeestigheid en oppositie was geen gebrek, maar men kon

het lezen niet nalaten. Later kwam ook de concurrentie, met venijn, insinuaties, scheldwoorden zelfs.

Doch „de philosoof van Cromstrijen" had voor dat alles slechts een glimlach: men kon het lezen niet laten.

Ik heb het blad steeds beschouwd als eene tribune, vanwaar ik kon spreken tot de menigte, die mij wilde hooren. Ik heb steeds meer hoorders dan lezers voor het geestelijk oog gehad, als ik de geschiedenis der week vertelde, als ik aan jongen en bejaarden oude wijsheid voorhield in nieuwe prent, als ik voorstellen deed, als ik wetten verklaarde, als ik den lof- en dankpsalm aanhief op onze nationale dagen. Die voorstelling is de oorzaak van mijn succes: ze maakte mijne taal duidelijk, mijn stijl populair; ze hield mij af van dor betoog, ze voorkwam vervelendheid; ze prikkelde tot afwisseling in vorm en toon, tot mengeling van ernst en luim; ze dwong tot gematigdheid en bescheidenheid; ze schonk de opgewektheid en frischheid, die mij tot op den huidigen dag bijbleven, zoowel in mijn dagelijksch mondeling als in mijn wekelijksch schriftelijk onderwijs.

Er waren er, die mij niet wilden hooren. Neen, allemans vriend ben ik niet geweest; dat te zijn, is een voorrecht van engelen en van volslagen nulliteiten. Maar velen hebben geluisterd, velen heb ik nu eens vermaakt, dan weer geroerd, aldoor gediend.

En gehaat heb ik mij ook niet gemaakt: geen onwillige, geen tegenstander is mij dermate een vijand geworden, dat wij elkaar de hand niet zouden kunnen drukken. Ik was geen hartstochtelijk partijman, geen politiek of religieus dweper, geen berisper. Ik floot niemand aan, ik jouwde niemand uit; ik deed noch aan personaliteiten, noch aan twistgeschrijf en zelfs heel weinig aan de politiek van den dag: ik hield mij aan mijn eenvoudig programma.

Of al mijne stukken oorspronkelijk waren?

Ik heb meer dan één broodje gebakken van fijn buitenlandsch meel. Hier een voorbeeld van de wijze, waarop ik nu en dan heb gewerkt: ik las Aspasia, ein Künstler- und Liebesroman aus Alt-Hellas, van Robert Hamerling. Drie deelen. Wie dat meesterwerk kent, zal in mijn „Schemeruur" met genoegen het pit en de moraal ervan terugvinden. En wie het niet kent? Die mist veel, maar niets van hetgeen ik kon geven. Niet gemaakt heb ik de wijsbegeerte; ik heb ze slechts beoefend. Wat al te Grieksch was, kon ik zonder schade in het Christelijke overzetten. Als ik iets tot mijne lezers bracht, was het altijd het beste, dat ik kon produceeren. Naar superioriteit heb ik gestreefd in alles.

Bij het veertiende nummer stond het blad reeds vast. Na een jaar was het een geregeld verwacht huisvriendje geworden in duizenden gezinnen. En sedert dien tijd is de oplage aanhoudend vermeerderd. Ieder zal den gedurigen vooruitgang kunnen opmerken aan het van jaar tot jaar grooter wordende aantal familieberichten, die in dit boek zijn overgenomen.

Sluiten