Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der algemeene verspreiding van dag- en weekbladen, tijdschriften, brochures, boeken en boekjes; een uitvloeisel ook van onze vele vergaderingen, onze vereenigingen en clubs tot bespreking der openbare zaak.

Niets is minder waar.

Het moet toegegeven worden, dat de publieke opinie in onze dagen krachtiger en vooral sneller werkt dan ooit te voren, doch nieuw is slechts de naam: de zaak is zoo oud als de wereld.

En even oud is de vraag, hoe, waardoor of door wien de publieke opinie wel gemaakt wordt.

Is de publieke opinie het grondsop van de denkbeelden, de ideeën, die in een zeker tijdperk heerschen? Of is het juist omgekeerd? Zijn de ideeën eene samenvatting, eene korte, scherpe uitdrukking van de publieke opinie?

Als Bismarck roept: „Wij Duitschers vreezen God en anders niemand!" bewerkt hij dan de publieke opinie? Doet hij dan eene meening in Duitschland ontstaan? Neen, hij drukt slechts krachtig uit, wat de publieke opinie reeds lang, maar niet zoo treffend zeide.

Wat de publieke opinie ook moge wezen en hoe ze ook moge ontstaan, zooveel is zeker, dat ze er is, dat wij allen ze gevoelen, dat wij ze mede dragen, dat ze machtig werkt, dat ze onze gedachten en handelingen beheerscht, dat ze oordeelt, en dat ze vonnissen uitspreekt, waaraan ieder zich moet onderwerpen.

Er zijn stroomingen in de publieke opinie; die stroomingen dragen de zoogenaamde politieke partijen, welke opkomen, groot worden en verzinken of stranden, al naar de richting en de kracht van den stroom, waarop ze drijven. Meen vooral niet, dat de partijen stuwen; neen, ze worden gestuwd door de openbare meening.

Niet altijd zijn de uitingen der openbare meening even sterk: er zijn tijdperken, waarin ze schijnt te rusten, waarin ze zich nauwelijks doet gevoelen, ja, waarin ze geheel schijnt te ontbreken.

Dat zijn tijden van lauwheid en onverschilligheid; tijden, waarin zoo weinig gebeurt, dat ze in de bladen der historie met een paar woorden afgedaan kunnen worden; tijden, waarin de menschheid schijnt stil te staan op den weg naar omhoog en hooger, om zich alleen met het genieten van het verworvene bezig te houden. De „geest des tijds" is dan stomp en suf; niemand komt boven het algemeene peil, niemand is tot iets groots in staat.

4

Sluiten