Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijft datgene voor, waarover wij het eens zijn; wat aanleiding kan geven tot strijd, zal door de wet behandeld worden. Als de wet het niet goed doet, kan zij het nog eens overdoen, wat door de grondwet zoo gemakkelijk niet te verrichten is.

In het Tweede Hoofdstuk worden de Troonsopvolging, de Inkomsten der Kroon, de Voogdij des Konings, het Regentschap, de Inhuldiging des Konings en 's Konings Macht besproken.

Uit dat hoofdstuk blijkt ten volle, dat wij het met de Fransche revolutionnairen eens zijn, als zij zeggen in par. III der Declaratie: „het beginsel van alle souvereiniteit berust in werkelijkheid bij de natie. Geen lichaam, geen persoon kan gezag uitoefenen, dat niet van haar uitgaat."

De vijf eerste afdeelingen van het Tweede Hoofdstuk kunnen ons, burgers, niet zooveel belang inboezemen: ze zijn goed voor onze staatslieden; de tweede afdeeling zegt, dat 's Konings jaarlijksch inkomen uit 's Lands kas bij elke troonsbeklimming wordt vastgesteld door de wet, dat er ƒ50,000 'sjaars besteed mag worden aan het onderhoud der zomer- en winterverblijven van Z. M., dat de Koning en de Prins van Oranje vrij zijn van alle personeele lasten, dat eene Koningin-Weduwe /150,000 's jaars en de Prins van Oranje ƒ 100,000 's jaars trekt, wat voor den Prins verdubbeld wordt, als hij een huwelijk aangaat, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

Wel, wij gunnen onzen geëerbiedigden Koning het grootste inkomen, dat bij ons „de bruine trekken kan," en aan de Prinsen van Oranje gunnen wij meer, dan hun toegekend is. Het spijt ons zelfs, dat er geen Prins van Oranje is, om het vastgestelde inkomen te trekken. Dat inkomen zou wel wat grooter te maken zijn, door den Prins tot generaal der infanterie, inspecteur van de cavalerie en vice-admiraal te benoemen, wat dan ook altijd gebeurd is in de gelukkige dagen, dat ons land zich in het bezit van een troonsopvolger mocht verblijden. Nu is al onze hoop op ons Prinsesje gevestigd. De grondwet kijkt nog wel over het lieve kind heen tot heel ver in het verschiet, doch de beschouwing van die kijkerij behoort meer tot het ressort van onze ministers en leden van den Raad van State. Gij en ik, waarde lezer, zijn wel volgens de grondwet tot ministers en tot leden van den Raad van State benoembaar, doch wij willen het niet zijn, nietwaar? Laat ons daarom liever eens nagaan, hoever zich in ons land de macht des Konings wel uitstrekt.

Sluiten