Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V.

Als goede burgers spreken wij, wanneer wij het Hoofd van den Staat bedoelen, steeds van Zijne Majesteit onzen geëerbiedigden Koning, ten minste bij officiëele, plechtige of ernstige gelegenheden of als wij het woord alleen hebben.

Wij doen dat zoo bij overlevering; anderen deden het ons voor.

Dat de overlevering zooveel invloed heeft, is maar goed, want onze eerste en hoogste landswet, onze grondwet, leert het ons niet; integendeel, als het mogelijk ware, zou zij het ons afleeren.

In de grondwet staat niets van de majesteit en niets van den eerbied. De grondwet spreekt overal van „den Koning"; zij leert aan de Staten-Generaal, dat Zijner Majesteits adres is: „Aan den Koning"; zij schrijft aan de Staten-Generaal voor, dat deze den Koning moeten huldigen met de volgende woorden: „Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij zweren, dat wij uwe onschendbaarheid en de rechten uwer kroon zullen handhaven ; wij zweren, alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen. Zoo waarlijk helpe ons God almachtig!"

Slechts op ééne plaats vinden wij de woorden „Zijne Majesteit", namelijk in artikel tien: „De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau". Klinkt het niet, alsof de majesteit zit in dat „Prins van Oranje-Nassau" ? Neen, een leerboek van eerbied en ontzag voor onzen Koning is onze grondwet niet. In dit opzicht is de traditie beter; laat de burger zich dan daaraan ook maar houden.

Van de macht eens konings heeft de overgroote meerderheid des volks zich eene voorstelling gemaakt uit kindersprookjes en oude anekdoten. Een koning is lang geen gewoon mensch; een koning woont in een paleis, eet niets dan lekkernijen, drinkt altijd champagne, berijdt de vurigste rossen, heeft eene kroon op, is in een hermelijnen mantel gewikkeld, heeft goudstukken en diamanten bij het mud, wordt bediend op zijne wenken, is omringd van een grooten stoet mannen en vrouwen in fluweel en zijde en van een nog grooteren stoet krijgers met het blanke zwaard in de hand, die allen sidderen, als er zich een rimpel

Sluiten