Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De Koning heeft het oppertoezicht over alles, wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid, of de kosten daarvan worden betaald uit 's Rijks kas of op andere wijze worden gevonden."

Art. iqo. „De Staten der provinciën hebben het toezicht op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders. Nochtans kan de wet het toezicht over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrichtingen en reglementen der waterschappen, veenschappen en veenpolders veranderingen te maken, waterschappen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te richten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrichtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der provincie doen."

Art. 191. „De besturen, waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken."

Zoo spreekt de nieuwe grondwet, zoo spraken, op een paar woordenveranderingen na, de oude, de oudere en de oudste. Geen conservatiever hoofdstuk dan dit negende: alle bestaande inrichtingen blijven; de Staten kunnen slechts wijzigen met goedkeuring des Konings.

Vanwege den Koning wordt het toezicht uitgeoefend door het corps ingenieurs van den waterstaat. Aan het hoofd van dit corps staats een hoofdinspecteur; verder zijn er twee inspectiën; de eerste (standplaats Arnhem) omvat de noordelijke en oostelijke provinciën, de tweede (standplaats 's-Gravenhage) de provinciën Utrecht, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland. In elke provincie staat een hoofdingenieur, (die zijn verblijf houdt in de hoofdplaats), aan het hoofd van het personeel. Doch de Staat zorgt rechtstreeks slechts voor „sommige waterstaatsbelangen," die als algemeene belangen kunnen beschouwd worden, als zeedijken, uitwateringen van groote rivieren, inundatie-sluizen en belangrijke waterwegen. Voor de rest geldt de regel, die ons zoo sterk gemaakt heeft en ons eer en veiligheid heeft verschaft: „ W ien water deert, die water keert."

De eigenlijke waterkeerders, dat zijn, al sedert meer dan duizend jaar, de d ij k g r a v e n en heemraden, de d ij kstoel, het d ij k c o 11 e g e.

Dat zijn eerwaardige namen en betrekkingen, vooral in ons land.

Sluiten