Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende adellijke wapens betreedt men met de voeten in menige kerk en op menig kerkhof.

Devay, een Fransch natuuronderzoeker, toont aan, dat een groot deel van den Franschen adel in de zeventiende eeuw uitstierf, omdat deze er in dien tijd vooral naar streefde, den rijkdom en den glans van het geslacht door verbinding van leden derzelfde familie te behouden. Volgens Dr. Kleine stierven alleen in Duitschland van 1700 tot 1870 niet minder dan 318 grafelijke geslachten uit. Slechts driekwart percent van de adellijke familiën bestaan nog, die omstreeks het jaar 1000 bloeiden. Duitschland telt 1028 grafelijke familiën; daaronder zijn er slechts 69 ouder dan 200 jaar.

In geen land ter wereld wordt een huwelijk tusschen een adellijk man en eene burgerlijke vrouw sterker afgekeurd, in geen land sterven adellijke geslachten spoediger uit dan in Duitschland.

De natuur heeft hare wetten. Al kan de mensch ze niet altijd in hare artikelen doorgronden, omdat zijne inzichten te kort schieten of omdat hij de gegevens niet in voldoende mate kan verzamelen, hij kan ze allengs uit de treurige gevolgen, welke uit schending voortvloeien, leeren afleiden.

Dit is zeker: de natuur wil geene huwelijken onder bloedverwanten.

Sedert oude tijden heeft men dit begrepen, want staats- en kerkelijke wetten verbieden huwelijksverbindingen tusschen personen, die elkaar van nabij bestaan. De Staat is ten onrechte in dezen steeds vrijgeviger geweest dan de Kerk: verscherping in de hierop slaande artikelen der burgerlijke wet zou wenschelijk zijn, als men er zich niet van overtuigd mocht houden, dat de resultaten der onderzoekingen op wetenschappelijk gebied niet meer en meer en steeds gemakkelijker onder het volk gebracht worden en daar hunne uitwerking ten goede niet missen.

Het bovenstaande is weer zulk eene mededeeling. Voor ouders en voor jongelieden ligt er eene ernstige vermaning en een liefderijke raad in besloten.

Wie een huwelijk met een bloedverwant heeft aangegaan en zijne kinderen krachtig en bloeiend mag zien, zij dubbel dankbaar voor den zegen, dien hij mag genieten; wie nog vrij is in zijne keuze, late zijn verstand mede spreken, als hij op levensgeluk eenige aanspraak wil maken.

Wat baten geld en goed, wat beteekenen eer en roem, wat levert de meest ingespannen arbeidzaamheid op, wanneer men daarbij steeds deernis met zijne eigen nakomelingschap moet dragen?

Sluiten