Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs niet, als er een duidelijke aanleg voor zoo'n vak bestaat.

Kan een boerenzoon het beroep zijns vaders verlaten, omdat de noodige financiën er zijn, dan moet hij minstens studeeren in eene der vijf faculteiten; aanleg bij onvoldoend kapitaal brengt een enkelen tot het volksonderwijs, maar een handwerk, neen, dat zou verval uit den stand wezen.

Zoo komt dan het verval uit den stand in een volgend geslacht, doch nu door den nood en dus heel wat dieper. De bij tegenspoed, achteruitgang en ontevredenheid verwekte kinderen hebben weinig kans, de begaafdheden der voorouders te erven. Niet uit de arme, maar uit de verarmende geslachten worden de geestelijk achterlijke menschen geboren.

Wie in de archieven der dorpen heeft gekeken, weet, dat de overgroote meerderheid der losse veldarbeiders nakomelingen zijn van aanzienlijke boeren. Op de Zuidhollandsche eilanden is dat al bijzonder sterk: duizenden arbeiders stammen af van familiën, die eenmaal groote hoeven exploiteerden of ze zelfs in eigendom hadden. Eens zagen we twee bedeelden samen eene consistorie-kamer verlaten: de overgrootvader der vrouw had zestig bunders land onder den ploeg en die van den man stond in eene lijst van den maire — zaliger gedachtenis — vermeld als de bezitter van vier en tachtig stuks rundvee. Het was maar goed, dat die arme luitjes hun stamboom niet kenden en dat geen van de twee den meisjesnaam zijner grootmoeder kon noemen.

Doch niet alleen bij ons is het zoo. Hetzelfde vertoont zich in alle landen en werelddeelen: de veelgenoemde Emile Zola heeft die gehechtheid aan den grond en de gevolgen daarvan in zijn roman La T e r r e allertreffendst geschilderd, zonder den lezer ook maar de afzichtelijkste bijzonderheid te sparen.

Let men op de afkomst der handwerkslieden, dan vindt men, dat ze bijna zonder uitzondering nakomelingen zijn van stedelingen. Is er verval onder hen, dan is dat te wijten aan het verkeerde denkbeeld der vaders, dat ze zeiven hunne zoons in het vak konden opleiden. Ze hebben niet willen inzien, dat de leerling nooit zoo knap wordt als zijn meester. Zoo bezwijkt dan de kleinzoon voor den eersten concurrent, die van elders komt. Om een knap ambachtsman te worden, moet de jongeling moeders pappot vaarwel zeggen.

In den laatsten tijd is er eenige beweging in de geesten gekomen. Onder de boeren begint men in te zien, dat de jacht

Sluiten