Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft. Hij moet dien aanleg ontwikkelen en zijn pond niet in de aarde begraven. Die de kunsten versmaadt, wordt dan ook al dadelijk met dierlijkheid gestraft, als hij niet levend dood mag heeten.

Waar de handwerksman het meest in de gelegenheid is tot het aanschouwen van kunstvoortbrengselen, tot het smaken van kunstgenot, tot het bewonderen, daar worden de beste en sierlijkste producten van het ambacht geleverd.

Waardoor anders staat Frankrijk, en in het bijzonder Parijs, bovenaan, wanneer er sprake is van schoonheid in de voortbrengselen der industrie? De handwerksman kan daar geene schrede doen, of zijn oog en zijn oor worden getroffen door kleuren-, vormen- en tonenharmonie; de wetten van het schoone, de gulden snede, de smaak, de stijl, — het dringt zich alles aan hem op, hij kan er geen weerstand aan bieden; het gaat hem zoozeer in het bloed zitten, dat hij ten laatste niet meer begrijpt, hoe zijne vakgenooten elders er in slagen, het wanstaltige, het lompe en plompe, het onbehouwene, tot stand te brengen.

Schoonheidsgevoel en smaak, eenmaal onbewust verkregen, doen dan hun invloed op elk bedrijf gevoelen, tot in den slagerswinkel toe.

„Maar," zegt hier een welwillend lezer, „wat baat het, dat men 'dit alles ten plattenlande inziet en erkent? Hoe zal er verbetering komen.''"

Voor de ouderen is natuurlijk de kans verkeken. Maar d e jongelieden kunnen wel anders, wel bekwamer worden dan

hunne bazen en meesters.

Daartoe is het noodig, dat de jonge man, zoodra hij kost en kleeren kan verdienen, het dorp zijner geboorte verlaat, niet om in een naburig dorp te gaan werken, maar om te trachten, in groote plaatsen aan den slag te komen. Op het verdienen van veel geld moet hij zich niet toeleggen: dat vele geld komt later als van zelf. Maar hij moet zijne oogen en ooren eens flink gaan open zetten en de wereld haar invloed eens op zijn voorstellingsvermogen laten uitoefenen. In Duitschland was het in den gulden tijd der handwerken wet, dat niemand zich als baas of meester vestigen mocht, dan nadat hij minstens drie

jaar op zijn vak gereisd had.

Ouders, die hunne kinderen tot flinke handwerkers willen zien opgroeien, moeten hen na hun achttiende of negentiende jaar niet in huis of in het dorp houden, want daar is voor de jongelui niets meer te zien of te leeren.

Sluiten