Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En wat een vrede in de onderwijswereld! De Christelijke en de andere — vroeger goddeloos of ongodistisch genoemde — schoolheeren heeten elkaar nu geachte ambtgenooten. Nog eten ze wel niet allen even druk uit de staatsruif, maar de gemeenschappelijke maaltijd is toch aanstaande. Looft, looft de Staatscommissie ! . . , _ , , j. Ook is de doodstraf nog wel niet in de oude eere hersteld,

doch men toeve slechts een weinig in lijdzaamheid : de begeerlijke straf is toch reeds in overweging geweest. Ze zou er wezen, als we niet hadden een ministerie van coalitie. Wel Christelijk, maar van onomgankelijke coalitie. In eene Christelijke zangvereeniging kan men eene cantate niet uitvoeren, als de baspartij niet mee wil doen. Voorloopig nemen we alle afgedwaalde schapen nog op onze schouderen. En dat is toch o o

een zeer Christelijk denkbeeld. . .

Waar is het, heel waar, dat we nog geen extra-minister

van landbouw hebben en dat de beloofde en veelbelovende invoerrechten nog niet zijn gekomen. Doch is Rome op een dag gebouwd? Moet er ook niet iets te wenschen overblijven. & Ziet, we hebben toch de speetwet, zoodat de bokkingen in volle verschheid gegeten worden. Is dat al niet veel ?

En zijn er niet eene menigte bezoldigde ambten en bedieningen ingesteld, zoodat vele heeren een baantje of postje kunnen krijgen? Dat is de blijdschap der socialisten: zoetjesaan

alle man staatsambtenaar. ,111 1

Overmits er echter geene betere leerschool en kweekplaats

voor alle deugden en kwaliteiten is, dan het leger, zoo gaat

ons kostelijk Christelijk kabinet onze strijdkrachten

versterken. Looft, looft het landleger! Zijne Excellentie de

minister Bergansius heeft , ..«Ulftrrol.

diging medegedeeld, dat het zijne bedoeling is, ons veldleger

uit te breiden van drie tot v i e r divisiën. Zoowe aan hospitaalsoldaten als aan genie, cavalerie en infanterie krijgen we een derde meer, en de artillerie wordt voorzien van het onmisbare

snelvuurgeschut. t .

Wat een kansen voor jongelui van aanleg, om officieren te

worden, hoopvolle luitenants, kranige kapiteins, krijgskundige

kolonels, hooggeëerde generaals! En dan de kans des jongen

burgers, om in de groote school opgenomen te worden! Loott,

looft den Christelijken krijgsman!

Laat v r e e z e verre zijn : oorlog voeren we nooit ofte nimmer meer. Ja, dat deden we, toen we eene marine hadden,

Sluiten