Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de volgende vergadering (13 December 1894) bleek, dat alle polders, uitgenomen de Oost- en WestZomerlanden, aan het verzoek voldaan hadden en dat de raad van Klaaswaal alsnog een jaarlijksch subsidie van ƒ25 voor tien jaren had gegund. Oud-Beierland en Heinenoord hadden nogmaals afwijzend beschikt.

Telde men al de subsidiën bijeen en berekende men daarvan de oogenblikkelijke kapitaalswaarde, men kon zeggen, dat eene som van ƒ30,000 de belangstelling der betrokken streken

in den aanleg van de tramlijn uitdrukte.

Daarop werden de heeren Overwater, Vlielander, Verhoeven en Bouman afgevaardigd naar den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, om diens steun en een rijkssubsidie te vragen. Ook werd de wenschelijkheid uitgesproken, dat de lijn niet langs de Zomerlanden, maar langs den Reedijk zou worden gelegd, — waar ze ook gekomen is, — en ten slotte medegedeeld, dat er voor de voorloopige onkosten ƒ1800 bijeen was. De heer Guichart achtte die som voldoende. Ze was opgebracht door heeren, die willen, dat hunne linkerhand niet wete, wat hunne rechter doet, — en wier namen we dus moeten verzwijgen.

'in de vergadering van 24 Januari 1895 gaf de heer B. Vlielander verslag van de audiëntie, die hij en de H.H. Verhoeven en Bouman bij den Minister hadden gehad, terwijl de heer Overwater op datzelfde uur eene bespreking had gehouden

met den heer Blussé. , ...

De Commissie had na hare aanvrage om een rijkssubsidie voor de tramlijn Rotterdam-Zuid-Beierland het sociaal belang van de Hoeksche Waard op den voorgrond gesteld en alle argumenten, waarover zij beschikte, te berde gebracht. Zij kon wijzen op de aanzienlijke som, die Prov. Staten zonder stemming als renteloos voorschot hadden toegezegd. Dat de gemeenteraden o-een degelijker stoffelijken steun hadden verleend, was een kritiek punt: de Commissie had betoogd, dat de gemeenten op zware lasten zaten en wegens den ongunstigen maatschappelijken toestand niet anders hadden kunnen handelen, zonder misschien zelve in o-evaar te komen, toelagen aan het Rijk te moeten vragen. Het slot was geweest, dat de Minister zich niet ongezind had getoond, de zaak te bevorderen, maar ook had gezegd, dat hij geene

bepaalde belofte kon uitspreken.

Doch verder ging weldra alles naar wensch: het Rijk gat een derde van het noodige kapitaal als renteloos voorschot, gelijk de Provincie had gedaan, en de aanleg had onder de

Sluiten