Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Leiden, 4 Juli 1892.

Weledele Heer,

Ik betuig u mijn dank voor de vereerende toezending van uw boek en meer nog voor het groote genot, dat het lezen ervan mij verschaft heeft. Het mag een gelegenheidsgeschrift zijn, het is bovendien een werk van blijvende waarde, waarmee gij onze historische literatuur hebt verrijkt. Juist aan zulke monografieën heeft deze thans de meeste behoefte. In het voorbeeld van Comstrijen hebt gij de geschiedenis der ambachtsheerlijkheid naar het Hollandsche recht in het algemeen beschreven. En het voorbeeld is gelukkig gekozen, want het ontstaan der Heerlijkheid dagteekent juist van den tijd, waarop de historische overlevering tamelijk volledig wordt, en het toeval heeft, naar het schijnt, haar archief beter bewaard dan met de meeste van haars gelijken het geval is geweest.

Wat u voor de taak, die gij aanvaard hebt, naar mijn bescheiden oordeel bijzonder berekend maakte, is de gaaf, die gij toont te bezitten, om de détails van uw onderwerp te onderscheiden, zonder het groote en algemeene voorbij te zien. Als achtergrond hebt gij onze geschiedenis, bepaaldelijk gedurende de laatste eeuw, in breede trekken fiks geteekend en gekarakteriseerd, met een objectiviteit, die aan het meest uiteenloopend streven der partijen volle recht laat wedervaren. Uwe waardeering van Napoleon en van zijne schepping komt mij inzonderheid welgeslaagd voor, al zou ik ten opzichte van den hem toegezwaaiden lof eenige meerdere reserve gemaakt willen hebben. Ook de peroratie is naar mijn smaak, en ik verheug mij om u, maar nog meer om uwe gemeente, dat gij met zulk eene dankbare getuigenis van het tegenwoordige hebt mogen besluiten.

Met bijzondere hoogachting

Uw dienstw. dienaar R. FRUIN."

Hoe erkentelijk ik den hoogleeraar en beroemden schrijver voor dezen brief ben, kan ik niet onder woorden brengen. Mijn loon is groot. Ik heb het stuk gelegd in het exemplaar, dat ik bewaar voor mijn zoontje, voor het behoud van wiens nu blij ontluikend leven ik mij door menschelijk opzicht niet laat weerhouden, den goeden God hier, in het openbaar, te bidden.

En nu rest mij nog ééne taak. Suum c u i q u e. Velen hebben mijn werk als doorwrocht geroemd. Die doorwrochtheid heeft het niet aan mij, maar aan wijlen den heer Arie Vlielander te danken. Bij zijn optreden als rentmeester en schout van Cromstrijen in 1820 vond hij al de ambachtsheerlijke, gemeentelijke en kerkelijke documenten van Numansdorp en Klaaswaal bijeen en dooreen op een zolder, zooals ze daar in den verwarden tijd der Revolutie waren neergelegd. Eerst in 1824, toen er regel en orde in de administratie was gebracht, vond hij tijd en moed, om te beginnen aan eene schifting en sorteering van de oude perkamenten en papieren. Op menig stuk heb ik eene korte aanteekening van zyne hand met bijge-

Sluiten