Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geboren en zijn zaad in hem blijft. Deze zaak wordt ons hier duidelijk, doordat Paulus de twee deelen die in hem als wedergeborene zijn, in de rechte verhouding tot elkander stelt, alzoo dat ons deze verhouding nu volkomen helder wordt. Wij gevoelen reeds terstond het standpunt dat de apostel in deze inneemt, uit de kern zijner redeneering: „Ik dan doe datzelve (n.1. hetgene hij niet wil, d. i.: de zonde) niet meer, maar de zonde, die in mij woont, vers 17; of gelijk het in vers 20 breeder wordt gezegd: „Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont". Dat ik, dat de zonde niet meer doet, vers 17 en 20&, is de inwendige mensch, vers 22, of „mijn gemoed", vers 23 en 26. De zonde die hij niet wil doch doet, vers 15, 16, 19, 20a, zit in zijn „leden", vers 23, of in „het vleesch", vers 26. Met zijn „leden" wordt bedoeld zijn natuurlijke organen en vermogens, zoo naar ziel als lichaam. En zeker wordt hier ook met „het vleesch"

hetzelfde aangeduid.

Het staat dus niet zoo, dat in een wedergeboren mensch het oude en het nieuwe beginsel elk een eigen deel in de ziel bezitten, alzoo, dat zij névens elkander daarin zijn, elk een stuk hebbende van de ziel en van het leven van zoo iemand. Zóó verdeelt Paulus het niet. Zijn „i k" doet de zonde niet meer. De zonde zit in zijn „leden", en in zijn „vleesch . Hiermede stemt overeen 1 Joh. 3 : 9. In het binnenst van de ziel staan de beide beginselen niet op gelijken voet naast en tegenover elkander. Neen, daar heeft een óvergang plaats gehad van den dood i n het leven, vèn de zijde des satans tót de zijde van Jezus en God. Die twee beginselen in hem staan nu niet gelijk. Hij zelf is vóór Jezus, en dient zijn God „naar den inwendigen mensch". „Ik" doe de zonde niet meer, maar de zonde die in mij woont. Geheel zooals Johannes zegt: „Die uit God geboren is, die doet de zonde niet, en het kèn ook niet. Hij doet de zonde niet. Het is waar: hij niet, n.1. zijn ik niet. De zonde woont slechts in zijn leden, in zijn vleesch, geschiedt niet door hèm. 1 Joh. 3 : 9, en ook de plaatsen als Matth. 12 : 33—35, vallen geheel in den geest en gedachtengang van Rom. 7 :14—26. Zij vullen elkander aan. Maar daarom is het stellen van een

Sluiten