Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdelijke scheiding van wedergeboorte en bekeering, dan ook zoo ongerechtvaardigd en ongerijmd.

Nu moeten wij hiér wel op letten, dat een mensch altijd zich zèlven geeft in zijn leven. Hij leeft zóóals hij in het diepst van zijn zijn is. Een mensch kan feitelijk zich zeiven niet verloochenen. Een mensch, hoe ook door zijn omgeving, geschiedenis, cultivatie, gevormd, bleef toch steeds zich zelf. Hij openbaart niet maar zijn latere vorming in zijn leven, maar daarin zich. Iemand kan volleerd zijn in de kunst van huichelen, d. i. om zich anders voor te doen dan hij werkelijk is. En toch toont hij hierin juist zich zelf. Iemand kan niet buiten zich zelf om springen. Gij zijt in uw leven steeds uzelf, openbarend uw diepste hart. Een mensch is nu eenmaal niet een ander dan zich. Zijn leven gelijk hij het leeft, hangt niet van buiten aan hem, maar hij leeft zijn leven uit zichzelven uit.

En laat ons nu letten op den wedergeboren mensch. Hij is een ander mensch geworden: hij kan niet zondigen, hij doet de zonde „niet meer", hij wil het goede, niet anders. Alleen, in de openbaring van dit nieuwe leven wordt hij belemmerd door de zonde, die in zijn leden, of in zijn vleesch is, of nog anders uitgedrukt: door de wet der zonde die in zijn leden is. Vandaar dat dat goede hem nog zoo slecht afgaat. Maar zijn leven is anders. Want hij is anders. En die de richting aan zijn leven geeft, het is hij, d. i.: zijn ik. Uit het hart toch, en niet ergens anders vandaan, zijn de uitgangen des levens. Maar in die richting waarin zijn ik nu staat, in dat nieuwe leven dat hij nu kent, wordt hij belemmerd en tegengehouden, door de zonde in zijn leden, in zijn vleesch. Vandaar de strijd.

De zonde is in zijn leden, in zijn vleesch. Het goede, d. i.: de wil ten goede, waarmede hij oproeit tegen het verkeerde in zijn leven, is het optreden van hèm zélf, gelijk hij zelf herboren is, en niet gedeeltelijk nieuw is, maar één nieuw mensch, een kind Gods is, geschapen in Christus Jezus, alléén tot goede werken.

In wiens leven nu niets van het leven Gods is, die betoont hiermede, dat hij, — want hij, n.1. zijn ik is het, dat zich openbaart, en dat zijn leven leidt, — dat hij als zoodanig nog

Sluiten