Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor een verstandig man niet gezegd te worden, iemand wegens nog onbewusten staat nog niet als redelijk mensch medeleeft. Maar is die hinderpaal vervallen, zoo zal de wedergeboren mensch, uit kracht van zijn geestelijke geboorte, aan het Woord Gods in dezen of genen vorm tot hem gekomen, zich aansluiten als het natuurlijk voedsel zijner ziel, zóó natuurlijk, als zijn lichamelijke behoefte zich aansloot aan de moederlijke borst, en hij zal openbaren zijn geboorte uit God: gij hoort van af dien stond zijn geluid. Alzoo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is. En dus dat iemand wel gedurende eenige jaren nog onbekeerd zou kunnen zijn, na zijn wedergeboorte, het is er verre vandaan, dat de Schrift ons die gedachte aan de hand doet. Wij moeten ze schuwen.

Wat met het door ons gevonden standpunt der H. Schrift in deze, zoozeer samengaat, het is dit, dat in diezelfde Schrift, aan de bekeering, en niet aan de wedergeboorte op zich zélf genomen, — of m. a. w.: aan een werkelijk leven voor God en in de vreeze Zijns Naams, de zaligheid verbonden wordt; en daartegenover, aan een goddeloos of ongeloovig leven, het het eeuwige omkomen. Want wel wordt ook over de wedergeboorte gesproken, als iets dat volstrekt onmisbaar is, maar dan meer om zulk een leven in de vreeze des Heeren en in het geloof, in zijn oorsprong te doen zien en te verklaren, zooals in Joh. 3, 1 : 13, 6 : 44, 45, en den len Brief van Johannes, alwaar het ook de bedoeling is, om de wedergeboorte in zijn kenmerken voor te stellen. In Joh. 3 wordt er tot Nicodemus ook over gesproken, om hem te -doen peilen de diepte van onzen verloren staat. Met het Koninkrijk Gods in Joh. 3 : 3 en 5 wordt niet juist bedoeld de toekomende zaligheid, maar het rijk der genade.

Alzoo: „indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt, zoo» zult gij zalig worden". Twee dingen zijn dus noodig om zalig te worden: dit, dat Jezus innerlijk aangenomen, èn daarbij uitwendig beleden zij: „Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid". Of de Apostel wil zeggen: het is het innerlijk 4

Sluiten