Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Slotopmerkingen.

Deze studie besluiten wij door èn de H. Schrift nog eens te doen spreken èn de groote Calvijn.

Vinden wij in de H. Schrift ook eenig voorbeeld van behandeling, van volwassenen èn van kinderen, ten opzichte van

de wedergeboorte?

Geheel ontkennend kan op deze vraag niet geantwoord worden. In Joh. 3:7 vinden wij, dat Jezus tot Nicodemus en zijn medebroeders zeide: ,Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: gijlieden moet wederom geboren worden".

Dit woord, van volwassen menschen gesproken, getuigt niet, dat zooals men wil, de regel deze is, dat de wedergeboorte onder het zaad des Verbonds plaats heeft reeds bij de geboorte, of ten minste vóór besnijdenis of Doop. Integendeel, getuigt dat woord van Jezus, dat dit niet de feitelijke regel is. Het spreekt niet tegen, dat het mogelijk is, dat het zelfs bij in leven blijvenden eens zoo geschiedt, maar dat zoo de regel is onder in leven blijvende kinderen in het Huis Gods, daarmede strijdt het. Of, op zijn zachtst gesproken: de Heere geeft ons hier met Zijn eigen woorden, zélf recht, om aan de waarachtigheid van dien regel te twijfelen. Niet alleen in de prille jeugd, maar ook op lateren, ja op volwassen leeftijd, behoort de wedergeboorte nog tot de zaken, die gebeurlijk zijn in de Kerk, nog op andere wijze dan bij hooge uitzondering. Dat is de gedachte, die in Jezus' woorden ligt. Van een bij voorkeur gebonden zijn aan de prille jeugd, gevoelen wij hier, noch elders iets.

Daartegenover, treft ons dit, dat de H. Schrift des Nieuwen

Sluiten