Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevolgtrekking voor de hand, dat, - indien men den kinderdoop als Schriftuurlijk inderdaad zal handhaven, — er, zoo niet gesteld,

ten minste ondersteld zal moeten worden, dat de kinderen

der geloovigen de wedergeboorte of het beginsel des geloofs

aireede bezitten. .

Omdat men weet, dat er bij die kinderen zijn, die niet uitverkoren

zijnde, ook niet wedergeboren kunnen zijn, déarom moet men

zich ten behoeve van den Doop vergenoegen met een b oote

onderstelling omtrent een ten doop gebracht kind, dat het

wedergeboren is. Maar het spreekt vanzelf, dat de drang groot is

om dit ten opzichte van de uitverkoren kinderen onder hen,

te doen worden een rechtuit stellen van de wedergeboorte^

Immers indien de bediening des Doops aan iemand waarlijk

onderstelt of eischt dat zoo een niet alleen het uiterlijke, maar

ook de innerlijke wedergeboorte bezit, en indien zulk een

onderstelling of eisch bovendien geheel overeenkomt met de

geaardheid, met het wezen, en met de eigen_ werkinJ 0

vrucht des Doops, dan ligt de gedachte voor de hand dat nu

degenen, die de Heere in Zijn Woord ons leert ten Doop te brengen,

die noodzakelijke onderstelling of eisch, voor de bediening des Doops

ook wel zullen bezitten, n.1. zooveel zij uitverkoren zijn want alleen

op de uitverkorenen doelt ook eigenlijk de Doop als zoodanig.

Immers, indien de grond, onderstelling of eisch van de bediening des Doops aan een persoon, niet dit is, dat zoo een, indien nog niet wedergeboren, het toch op 'sHeeren tijd zal worden maar dit, dat hij het inderdaad reeds is, dan is het zeker, dat God ook wel degenen voor wie naar zijn eeuwigen raad die Doop eigenlijk is, vóór het oogenblik dat Hij wil dat ze Hem zullen ontvangen, die wedergeboorte zal schenken. Want het feitelijk bezit is de grond waarop die Doop alleen moet en mag toegediend worden, en dat feitelijk bezit wordt door het gedoopt-

Z'^En°hiermede is het toch ook best te vereenigen dat velen gedoopt worden, zonder de wedergeboorte werkelijk te bezitten, n.1. zij die niet uitverkoren zijn. Maar zij voor wie die Doop e,ge* alleen bestemd is, het spreekt vanzelf, dat zij op heto°gen^ dat zij naar den last Gods den Doop ontvangen, ook zullen

Sluiten