Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bezitten hetgeen om den Doop met vrijmoedigheid te eischen en te ontvangen, ènte geven, van noode is. Aan velen wordt de Doop echter ook toegediend, voor wie hij eigenlijk niet is, dadrom niet is, omdat zij, niet uitverkoren zijnde, niet wedergeboren zijn, terwijl zij dat teeken verkrijgen. De Kerk kan het echter niet helpen. Zij zijn als 't ware — hoewel men dit zoo niet noemt, — abusievelijk gedoopt: zij zijn gedoopt omdat men hen innerlijk niet kende. Maar de anderen, op wie de Doop eigenlijk alleen doelt, zij zijn ook vóór dien Doop wedergeboren. Het is de onafwendbare konsekwentie van het systeem. De uitverkoren kinderen zijn, naar dit standpunt wedergeboren, om Verbond en belofte, maar ook om den Doop, die zij niet eerst later, maar reeds in hun prilste jeugd mogen en moeten ontvangen.WantdeDoop onderstelt die wedergeboorte, hij eischt die wedergeboorte: anders past hij niet bij den persoon. De wedergeboorte, als reeds aanwezig, is de geestelijke grond van den Doop, waarop zijn toebediening door de Kerk rust, en waarbij die doopsbediening voor het oog van een ieder moet bijkomen. (*)

Daarom is het nu van onafwijsbaar gewicht, om ernstig met de Schrift in de hand na te speuren of dat grondbeginsel wel juist is. Dit grondbeginsel n.1., dat de onderstelling, grond of eisch van de bediening des Doops aan een persoon, is: dat hij de wedergeboorte bezit. Eisch en behoefte is het dit na te speuren, èn ten opzichte van den last des Heeren waarnaar de Kerk zich in het doopen heeft te richten, èn ten opzichte van den eigen aard en de werking des Doops.

Twee voorname argumenten voor de leer dat de uitverkoren

(*) Enkele uitspraken uit onzen tijd:

Dr. A. Kuyper, E Voto, Zondag 27, bladz. 15, 24, 37, 43—46, 57; Dr. A. Kuyper, Vooreen Distel een Mirt, bladz. 72 bovenaan (Nieuwe Uitg.); P. Biesterveld, Het Huisbezoek, bladz. 143 bovenaan;

W. J. de Haas, Doop en Tucht, bladz. 32 onderaan („De kerk heeft door den H. Doop haar kinderen in haar gemeenschap ingelijfd in de goede trouw, dat dit te recht geschiedde.");

en het getuigenis uit: Opleiding en Theologie (door vier prof.), bladz. 76, 77 en 78.

Sluiten