Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regel te willen zijn voor de toebediening van den Doop door de Kerk in alle de eeuwen die zouden volgen, heeft misschien alleen Hand, 2 : 38, 39 eenigzins. En juist de aldaar genoemde grond voor den Doop, komt nabij aan de ruimere Doopspraktijk waartoe Matth. 28 : 19 brengt.

Daar in Matth. 28 : 19 heeft Jezus, kort voor Zijn hemelvaart, den Doop zelf ingesteld voor Zijn Kerk als een der beide daar genoemde middelen, waardoor al de volken tot Zijn discipelen moesten gemaakt worden. Of, als men dit liever wil, — minstens als een der beide zaken, die met dat de-volkentot-discipelen-maken, moesten gepaard gaan. De aldaar gegeven, of de in de woorden der instelling inliggende regel voor de bediening van den Doop, die is vanzelf rechtens de regel in dezen voor alle plaatsen en tijden. Deze moet als zoodanig allen anderen regel die daarna gegeven mocht schijnen, beheerschen. En daarnéar, en niet daarmede in strijd, moeten verstaan worden de woorden die gesproken zijn bij latere doopsbedieningen, of de drangredenen die daartoe leidden.

Wij gaan nu voor alle dingen de woorden der eigenlijke instelling van den Doop als een vaststaande zaak voor de Christelijke Kerk tot 's Heeren wederkomst toe, nauwlettend beschouwen. \tyant wel werd ook vroeger reeds vóór de woorden, die wij hebben in Marth. 28:19, gedoopt, en ook toen wel naar Goddelijke instelling. Maar hier werd nu eerst op zulk een wijze aan de Kerk opgedragen om te doopen, dat het alle gedachte aan een beteekenis alleen voor dien tijd uitsluit. De woorden zijn, nog te meer als ge ze leest in verband met het voorgaande en volgende vers, van die kracht, dat ze der Kerk den Goddelijken last opleggen om te doopen in èlle tijden en in èlle eeuwen, tot de voleinding der wereld, d. i. tot de zekerheid er zal zijn dat de laatste der uitverkorenen is ingezameld.

Matth. 28 : 19 naar de Staten-vertaling luidt aldus: „Gaat dan henen, onderwijst al de volkeren, dezelve doopende in den Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb". De nadruk voor ons valt nu op de woorden: „onderwijst al de volkeren", „dezelve doopende", „leerende hen onderhouden".

Sluiten