Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat Hij velen in uitwendige gedaante gehéél doet gelijken op Zijn kinderen, doch hun het kindschap in den eigenlijken en geestelijken zin van het woord onthoudt. Ook hiermede heeft de Heere Zijn hooge bedoelingen, waartegen wij niet mogen morren. Een ieder zie daarom voor zich zelf toe, dat hij niet ruste in zijn eigen schoone Christelijke gedaante, maar in de zelfofferande en genade van Christus alleen. Die is waarlijk, en ook in het verborgen, een Christen. En bij hem eerst komt de Doop tot zijn vólle recht en heerlijkheid. Evenwel, het is nu eenmaal zoo: in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter eer, maar ook sommige ter oneere. En deze moeten daar zijn. Wij moeten ze niet weren, en wij kunnen dat niet, tenzij het Gode belieft hen reeds hier bij aanvang hun schoone Christen-gedaante te ontnemen.

Men moet er overigens niet te veel uit besluiten, dat in de woorden van Hand. 2:38, 39 vooraf vermaand wordt: „bekeert u" en dan eerst: „een iegelijk van U worde gedoopt." Dit is in overeenstemming met den zielenood waaruit het tot Petrus klonk. „Wat zullen wij doen, mannen broeders?" Tot zaligheid toch is het in de eerste plaats eisch niet om zich te laten doop en,

maar om zich te bekeeren.

In Hand. 8:36—38 hebben wij een opmerkelijk verhaal van de wijze waarop Filippus de Evangelist den kamerling toestaat den H. Doop. Op des kamerlings vraag: „Zie daar water, wat verhindert mij gedoopt te worden ?" antwoordt Filippus: „Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd". De kamerling gaf daarop het eenvoudige antwoord, niet ten vólle passende op de vraag — : „Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is". Evenwel het schijnt dat de kamerling toch van meening is, Filippus wel voldaan te hebben. Want naar het schijnt zonder te verbeiden een geestelijke keur van zijn geloofsbelijdenis, die wegens haar soberheid na de meer omstandige en nauwkeurige uitspraak van den Evangelist anders wel te verwachten was, gebood de kamerling den wagen stil te houden, en zoo Filippus als de kamerling daalt af in het water, en hij doopte hem.

Dat nu op die uitdrukking „van ganscher harte" in het woord van Filippus, naar diens bedoeling sterk de nadruk zou vallen,

Sluiten